Geschiedenis Podcasts

Hoeveel mensen konden tijdens de middeleeuwen vissen voeren?

Hoeveel mensen konden tijdens de middeleeuwen vissen voeren?

Ik wist dat vissen op middelbare leeftijd behoorlijk populair was.

Maar ik weet niet hoeveel mensen kunnen worden gevoed door een enkele visser?

Ik zou het vooral willen weten voor riviervissen, maar ik ben ook geïnteresseerd in zeevissen. Ik denk aan kleine dorpjes met lokale visserij om de voedselvoorziening te verzekeren.

Context:

  • Periode: vroege middelbare leeftijd
  • Locatie: Klein geïsoleerd dorp (~250 mensen)
  • Omgeving: Grote rivier met veel vis

Ik zoek een gemiddeld aantal (houd geen rekening met de concurrentiefactor).


In het jaar 1289 maakte koning Filips IV van Frankrijk zich zorgen over vissen. "Elk stroomgebied van ons rijk," verkondigde hij, "groot en klein, levert niets op vanwege het kwaad van vissers."

(De Atlantische Oceaan (2019)

De middeleeuwen is veel te lang om een ​​definitief antwoord op uw vraag te geven. Bovendien bestond er vaak niet zoiets als 'een enkele visser'. Vaak genoeg zag je vissersdorpjes, dorpen die vis exporteerden. Of vissersgilden. Vissende gezinnen. Vooral aan zee als je een boot nodig hebt om te vissen. Een vissersboot bedient u niet alleen. Bij het uitzetten van fuiken en stuwen met een groep mensen, hoeveel werd er dan door wie gevangen?

Als je kijkt naar riviervissen, zul je waarschijnlijk niet het hele jaar door dezelfde vis vangen. Tijdens de zomermaanden trekt de zalm de rivier op om te paaien. Hoe meer watermolens er werden gebouwd, hoe minder zalm er werd gevangen.

Een deel van wat we weten over de middeleeuwse visserij komt uit het gebied van Colchester (VK), vlakbij de rivier de Colne en relatief dicht bij het Kanaal. Al sinds zeker 800 na Christus wordt er in allerlei vormen gevist, jaren later hadden ze zelfs hun eigen oesters. In (en na) de late middeleeuwen zijn daar kleine oorlogen gevoerd over visrechten en overbevissing. Als je op zoek bent naar historische gegevens, zou ik denken dat dat gebied een goed begin is. Misschien heeft het Domesday Book ook bruikbare informatie voor u.

Hoeveel vis ze daadwerkelijk zouden vangen, hangt af van vele factoren, waaronder de hoeveelheid organisatie, het gebruikte gereedschap (haken, netten en vallen werden op sommige plaatsen in de middeleeuwen al vrij uitgebreid gebruikt) en de lokale vispopulatie (wat nogal kan verschillen).

Uiteindelijk maakt het niet uit. Je vraagt:

Maar ik weet niet hoeveel mensen kunnen worden gevoed door een enkele visser?

Niet veel. Als ze alleen maar vis zouden eten, zouden ze uiteindelijk sterven aan ondervoeding. Ze zouden ook brood nodig hebben. Je hebt dus een boer nodig, en jagers/verzamelaars, zowel voor het jagen op zoogdieren/vogels als het verzamelen van fruit/groenten.


Hoe stroperij werkt

Stroperij is al honderden jaren illegaal, maar het was tijdens de late middeleeuwen dat stroperij strafbaar werd. Gedurende deze tijd was het recht om te jagen beperkt tot landeigenaren en adel. Boeren hadden meestal geen wapens, vaardigheden of de extra tijd om te jagen, dus om hun families van voedsel te voorzien, bedachten ze een andere manier om vlees naar hun tafels te brengen, inclusief strikken [bron: NationMaster].

Hoewel de jacht was voorbehouden aan de bevoorrechten, was het illegaal om wilde dieren te kopen en te verkopen. Het bleef illegaal om dit te doen tot het midden van de 19e eeuw. Bendes stropers vormden bandieten en verkochten dieren via de zwarte markt. Onder de kopers van voedsel van de zwarte markt waren zelfs rijke mensen die niet alleen konden of wilden jagen.

Omdat armoede op het platteland in de 18e eeuw wijdverbreid was, gingen veel mensen over tot stroperij om te overleven. Commoners beschermden stropers als een daad van rebellie, omdat voedsel zo schaars was. Hoewel stropersbendes voedsel aan de armen leverden, waren ze ook gewelddadig en vaak hebzuchtig, en stropen meer om de zwarte markt te voeden dan hongerige boeren.

Omdat de autoriteiten er niet op konden vertrouwen dat burgers stropers inleverden, creëerden ze vallen en springgeweren die stropers zouden verminken of doden. In de jaren 1830 werden vallen en veergeweren als illegaal beschouwd, en in 1883 mochten boeren klein wild, zoals hazen en konijnen, op hun eigen boerderijen doden [bron: Scribd].

Zijn de stroperijkwesties veranderd sinds de middeleeuwen? Dat hebben ze inderdaad. Ga verder om erachter te komen hoe moderne stroperij verschilt van de stroperij uit de tijd van Robin Hood.

Vroege regeringsfunctionarissen dachten dat alle niet-particuliere gronden eigendom waren van de regering, dus bezat de regering het en zijn hulpbronnen. Tegenwoordig wordt niet-particuliere grond als openbare grond beschouwd en zijn de hulpbronnen ervan voor iedereen beschikbaar, op voorwaarde dat federale, staats- en lokale voorschriften en beperkingen dit niet afschrikken.


Inhoud

Vissen is een oude praktijk die in ieder geval teruggaat tot de Boven-Paleolithische periode die ongeveer 40.000 jaar geleden begon. [3] [4] Isotopische analyse van de skeletresten van de Tianyuan-mens, een 40.000 jaar oude moderne mens uit Oost-Azië, heeft aangetoond dat hij regelmatig zoetwatervissen at. [5] [6] Archeologische kenmerken zoals schelpen, [7] afgedankte visgraten en grotschilderingen tonen aan dat zeevoedsel belangrijk was om te overleven en in aanzienlijke hoeveelheden werd geconsumeerd. Tijdens deze periode leefden de meeste mensen als jager-verzamelaars en waren ze noodzakelijkerwijs constant in beweging. Waar er echter vroege voorbeelden zijn van permanente nederzettingen (hoewel niet noodzakelijk permanent bezet), zoals die bij Lepenski Vir, worden ze bijna altijd geassocieerd met visserij als een belangrijke voedselbron.

Speervissen met weerhaken (harpoenen) was wijdverbreid in paleolithische tijden. [8] De Cosquer-grot in Zuid-Frankrijk bevat grotkunst van meer dan 16.000 jaar oud, inclusief tekeningen van zeehonden die lijken te zijn geharpoeneerd.

De neolithische cultuur en technologie verspreidden zich wereldwijd tussen 4.000 en 8.000 jaar geleden. Met de nieuwe technologieën van landbouw en aardewerk kwamen basisvormen van de belangrijkste vismethoden die nog steeds worden gebruikt.

Van 7500 tot 3000 jaar geleden was het bekend dat indianen aan de kust van Californië zich bezighielden met vissen met gorge hook en line tackle. [9] Bovendien is bekend dat sommige stammen plantengif hebben gebruikt om verdoving in beekvissen te veroorzaken om ze te kunnen vangen. [10]

Koperen harpoenen waren tot ver in de oudheid bekend bij de zeevarende Harappans [11]. [12] Vroege jagers in India zijn onder meer de Mincopie-bevolking, inheemse bewoners van de Indiase Andaman- en Nicobar-eilanden, die al sinds mensenheugenis harpoenen met lange koorden gebruiken om te vissen. [13]

De oude rivier de Nijl zat vol met vis, verse en gedroogde vis was een hoofdvoedsel voor een groot deel van de bevolking. [14] De Egyptenaren vonden verschillende werktuigen en methoden uit om te vissen en deze worden duidelijk geïllustreerd in graftaferelen, tekeningen en papyrusdocumenten. Eenvoudige rieten boten dienden om te vissen. Geweven netten, stuwmanden van wilgentakken, harpoenen en haak en lijn (de haken hebben een lengte van tussen de acht millimeter en achttien centimeter) werden allemaal gebruikt. Tegen de 12e dynastie werden metalen haken met weerhaken gebruikt. Zoals tegenwoordig vrij gebruikelijk is, werden de vissen na het vangen doodgeknuppeld. Nijlbaars, meerval en paling behoorden tot de belangrijkste vissen. Sommige voorstellingen duiden erop dat vissen als een tijdverdrijf wordt nagestreefd.

Er zijn in de meeste gevallen talrijke verwijzingen naar vissen in de oude literatuur, maar de beschrijvingen van netten en vistuig gaan niet in detail en de uitrusting wordt in algemene termen beschreven. Een vroeg voorbeeld uit de Bijbel in Job 41:7: Kunt u zijn huid vullen met ijzers met weerhaken? of zijn hoofd met vissensperen?

Anders dan in de Minoïsche cultuur, [15] zijn visserijtaferelen zelden vertegenwoordigd in de oude Griekse cultuur, een weerspiegeling van de lage sociale status van de visserij. [ citaat nodig ] Er is een wijnbeker, daterend uit c. 500 v.Chr., waarop een jongen gehurkt op een rots te zien is met een hengel in zijn rechterhand en een mand in zijn linkerhand. In het water eronder bevindt zich een rond voorwerp van hetzelfde materiaal met een opening aan de bovenkant. Dit is geïdentificeerd als een viskooi die wordt gebruikt voor het houden van levende vis, of als een fuik. Het is duidelijk geen net. Dit object bevindt zich momenteel in het Museum of Fine Arts, Boston. [16]

Oppian van Corycus, een Griekse auteur, schreef een belangrijke verhandeling over zeevissen, de Halieulica of Halieutika, gecomponeerd tussen 177 en 180. Dit is het vroegste werk dat tot op de dag van vandaag intact is gebleven. Oppian beschrijft verschillende manieren van vissen, waaronder het gebruik van netten die uit boten worden geworpen, schepnetten die worden opengehouden door een hoepel, speren en drietanden, en verschillende vallen "die werken terwijl hun meesters slapen". Oppian's beschrijving van vissen met een "stilstaand" net is ook erg interessant:

De vissers zetten zeer lichte netten van drijvend vlas op en draaien in een cirkel eromheen, terwijl ze met hun riemen met geweld op het oppervlak van de zee slaan en lawaai maken met zwaaiende stokken. Bij het flitsen van de snelle riemen en het geluid bonden de vissen zich doodsbang vast en stormden in de schoot van het net dat stilstaat, denkend dat het een schuilplaats was: dwaze vissen die, verschrikt door een geluid, de poorten van het onheil binnengaan. Dan haasten de vissers aan weerszijden zich met de touwen om het net aan land te trekken.

De Griekse historicus Polybius (ca 203 BC-120 BC), in zijn geschiedenissen, beschrijft het jagen op zwaardvis met behulp van een harpoen met een weerhaken en afneembare kop. [17]

Picturaal bewijs van de Romeinse visserij komt van mozaïeken die vissen laten zien vanaf boten met hengel en lijn, evenals met netten. Verschillende soorten zoals conger, kreeft, zee-egel, octopus en inktvis worden geïllustreerd. [18] In een parodie op vissen was een soort gladiator genaamd retiarius gewapend met een drietand en een werpnet. Hij zou vechten tegen de murmillo, die een kort zwaard droeg en een helm met de afbeelding van een vis op de voorkant.

De Grieks-Romeinse zeegod Neptunus wordt afgebeeld met een vissende drietand.

In India stonden de Pandyas, een klassiek Dravidisch Tamil-koninkrijk, al in de 1e eeuw voor Christus bekend om de parelvisserij. Hun zeehaven Tuticorin stond bekend om de diepzeeparelvisserij. De paravas, een Tamil-kaste met als middelpunt Tuticorin, ontwikkelden een rijke gemeenschap vanwege hun parelhandel, navigatiekennis en visserij.

In de Noorse mythologie gebruikt de zeereuzin Rán een visnet om verloren zeelieden in de val te lokken.

De Moche-bevolking van het oude Peru beeldde vissers af in hun keramiek. [19]

Uit oude afbeeldingen en literatuur blijkt duidelijk dat vissersboten doorgaans klein waren, zonder mast of zeil, en alleen dicht bij de kust werden gebruikt.

In de traditionele Chinese geschiedenis begint de geschiedenis met drie semi-mystieke en legendarische personen die de Chinezen de kunsten van de beschaving leerden rond 2800-2600 voor Christus: van hen stond Fuxi bekend als de uitvinder van schrijven, jagen, vangen en vissen.

Poseidon/Neptunus-beeldhouwwerk in de Haven van Kopenhagen.

Fresco van een visser uit de bronstijd opgraving van de Minoïsche stad Akrotiri op het Griekse eiland Santorini.

Reliëf van vissers die hun vangst halen uit het graf van Mereruka, 6e dynastie

Moche visser. 300 na Christus Larco Museum Collectie Lima, Peru.

Gillnet Edit

Kieuwnetten bestonden in de oudheid, zoals archeologisch bewijs uit het Midden-Oosten aantoont. [20] In Noord-Amerika gebruikten inheemse vissers cederkano's en netten van natuurlijke vezels, bijvoorbeeld gemaakt van brandnetels of de binnenbast van ceder. [21] Ze bevestigden stenen aan de onderkant van de netten als gewichten, en stukken hout aan de bovenkant om als drijvers te gebruiken. Hierdoor hing het net recht op en neer in het water. Elk net zou ofwel aan de kust of tussen twee boten worden opgehangen. Inheemse vissers in de Pacific Northwest, Canada en Alaska gebruiken nog steeds vaak kieuwnetten in hun visserij op zalm en steelhead.

Zowel drift-kieuwnetten als setnets zijn ook op grote schaal aangepast in culturen over de hele wereld. De oudheid van kieuwnettentechnologie wordt gedocumenteerd door een aantal bronnen uit vele landen en culturen. Japanse records traceren visserij-exploitatie, inclusief kieuwnetten, gedurende meer dan 3000 jaar. Over de Edo-periode (1603-1867) zijn veel relevante details beschikbaar. [22] De visserij op de Shetland-eilanden, die tijdens het Vikingtijdperk door Noormannen werden bewoond, vertoont culturele en technologische overeenkomsten met de Noorse visserij, waaronder de visserij met kieuwnetten op haring. [23] Veel van de Noorse immigrantenvissers die in de tweede helft van de 19e eeuw kwamen vissen in de grote zalmvisserij van de Columbia-rivier, deden dit omdat ze ervaring hadden met de kieuwnetvisserij op kabeljauw in de wateren rond de Lofoten-eilanden in het noorden van Noorwegen . [24] Kieuwnetten werden ook door Zweedse vissers gebruikt als onderdeel van de seizoensronde. [25] Welshe en Engelse vissers kieuwden gedurende ten minste enkele eeuwen in de rivieren van Wales en Engeland in coracles met handgemaakte netten voor Atlantische zalm. [26] Dit zijn slechts enkele voorbeelden van historische kieuwnetvisserij over de hele wereld. Tegenwoordig worden kieuwnetten niet meer gebruikt in de moderne visserij vanwege de nieuwe regelgeving en wetten voor de commerciële visserij. De kieuwnetten zouden niet alleen gerichte vissen doden, maar ook andere onbedoelde bewoners van de omgeving schaden, ook wel bijvangst genoemd.

Kabeljauwhandel Bewerken

Een van 's werelds langstdurende handelsgeschiedenissen is de handel in droge kabeljauw vanuit het Lofoten-gebied naar de zuidelijke delen van Europa, Italië, Spanje en Portugal. De handel in kabeljauw begon tijdens de Vikingperiode of daarvoor, bestaat al meer dan 1000 jaar en is nog steeds belangrijk.

Kabeljauw is sinds de Vikingtijd (rond 800 na Christus) een belangrijke economische grondstof op een internationale markt. Noren gebruikten gedroogde kabeljauw tijdens hun reizen en al snel ontwikkelde zich een markt voor gedroogde kabeljauw in Zuid-Europa. Deze markt bestaat al meer dan 1000 jaar, ging door perioden van Zwarte Dood, oorlogen en andere crises en is nog steeds een belangrijke Noorse vishandel. [27] De Portugezen vissen al sinds de 15e eeuw op kabeljauw in de Noord-Atlantische Oceaan, en klipvis wordt veel gegeten en gewaardeerd in Portugal. De Basken speelden ook een belangrijke rol in de kabeljauwhandel en zouden in de 16e eeuw de Canadese visserijbanken hebben gevonden. De Noord-Amerikaanse oostkust ontwikkelde zich gedeeltelijk door de enorme hoeveelheid kabeljauw, en veel steden in het gebied van New England paaiden in de buurt van visgronden voor kabeljauw.

Afgezien van de lange geschiedenis verschilt deze specifieke handel ook van de meeste andere vishandel door de ligging van de visgronden, ver van grote populaties en zonder enige binnenlandse markt. De grote kabeljauwvisserij langs de kust van Noord-Noorwegen (en in het bijzonder dicht bij de Lofoten-eilanden) is bijna uniek ontwikkeld voor export, afhankelijk van zeetransport van stokvis over grote afstanden. [28] Sinds de introductie van zout wordt ook gedroogde gezouten kabeljauw ('klippfisk' in het Noors) geëxporteerd. De handelsactiviteiten en het zeetransport werden tegen het einde van de 14e eeuw overgenomen door de Hanze, waarbij Bergen de belangrijkste handelshaven was. [29]

William Pitt de Oudere, die het Verdrag van Parijs in het parlement bekritiseerde, beweerde dat kabeljauw "Brits goud" was en dat het dwaasheid was om de visrechten van Newfoundland aan de Fransen te herstellen. In de 17e en 18e eeuw, de Nieuwe Wereld, vooral in Massachusetts en Newfoundland, werd kabeljauw een belangrijke handelswaar en vormde handelsnetwerken en interculturele uitwisselingen.

Vroegmoderne ontwerpen

In de 15e eeuw ontwikkelde de Nut een soort zeegaande haringzwerver die een blauwdruk werd voor Europese vissersboten. Dit was de Haringbus, die tot het begin van de 19e eeuw door Nederlandse haringvissers werd gebruikt. Het scheepstype bus heeft een lange geschiedenis. Het was rond 1000 na Christus in Scandinavië bekend als a bǘza, een robuuste variant van het Vikingschip. De eerste haringbus is waarschijnlijk rond 1415 in Hoorn gebouwd. De laatste is in 1841 in Vlaardingen gebouwd.

Het schip was ongeveer 20 meter lang en verplaatste tussen de 60 en 100 ton. Het was een enorm rondspant kielschip met een stompe boeg en achtersteven, de laatste relatief hoog, en met een galerij. De bussen gebruikten lange drijvende kieuwnetten om de haring te vangen. De netten zouden 's nachts worden binnengehaald en de bemanningen van achttien tot dertig man [30] zouden de vangst op het brede dek gaan kaken, zouten en binnenlopen. De schepen voeren in vloten van 400 tot 500 schepen [30] naar de visgronden van de Doggersbank en de Shetlandeilanden. Ze werden meestal begeleid door marineschepen, omdat de Engelsen dachten dat ze "stroperij" waren. De vloot zou weken achtereen op zee blijven. De vangst werd soms overgebracht naar speciale schepen (genaamd ventjagers), en mee naar huis genomen terwijl de vloot nog op zee zou zijn (de foto toont een ventjager in de verte). [30]

In de 17e eeuw ontwikkelden de Britten de dogger, een vroeg type zeilende trawler of beugvisser, die veel in de Noordzee opereerde. De dogger ontleent zijn naam aan het Nederlandse woord hondsdolheid, dat wil zeggen een vissersvaartuig dat een sleepnet sleept. Nederlandse trawlers waren gebruikelijk in de Noordzee, en het woord hondsdolheid werd gegeven aan het gebied waar ze vaak visten, dat bekend werd als de Doggersbank. [31]

Doggers waren traag maar stevig, in staat om te vissen in de ruige omstandigheden van de Noordzee. [32] Net als de haringbussen hadden ze een brede balk en een stompe boog, maar aanzienlijk kleiner, ongeveer 15 meter lang, een maximale breedte van 4,5 meter, een diepgang van 1,5 meter en een verplaatsing van ongeveer 13 ton. Ze konden een ton aas, drie ton zout, een halve ton voedsel en brandhout voor de bemanning meenemen en terugkeren met zes ton vis. [32] Aan de voor- en achterzijde voorziene terrassen boden waarschijnlijk accommodatie, opslag en een kookgedeelte. Een anker zou het mogelijk hebben gemaakt om langere tijd op dezelfde plek te vissen, in wateren tot 18 meter diep. De dogger zou ook een kleine open boot hebben gedragen om lijnen te onderhouden en aan wal te roeien. [32]

Een voorloper van het dory-type was het vroege Franse bateau-type, een boot met platte bodem met rechte zijkanten die al in 1671 op de Saint Lawrence-rivier werd gebruikt. [33] De gemeenschappelijke kustboot van die tijd was de wherry en het samensmelten van het wherry-ontwerp met de vereenvoudigde vlakke bodem van de bateau resulteerde in de geboorte van de dory. Er bestaat anekdotisch bewijs van veel oudere voorlopers in heel Europa. Engeland, Frankrijk, Italië en België hebben kleine boten uit de middeleeuwen die redelijkerwijs kunnen worden opgevat als voorlopers van de Dory. [34]

Dories verscheen ergens na het begin van de 18e eeuw in visserssteden in New England. [35] Het waren kleine boten met een geringe diepgang, meestal ongeveer vijf tot zeven meter lang. Lichtgewicht en veelzijdig, met hoge zijkanten, een platte bodem en scherpe bogen, ze waren gemakkelijk en goedkoop te bouwen. De Banks-dories verschenen in de jaren 1830. Ze waren ontworpen om te worden vervoerd op moederschepen en werden gebruikt voor het vissen op kabeljauw bij de Grand Banks.[35] Vrijwel direct aan het lage vrijboord aangepast, konden Franse rivierbateaus, met hun rechte zijkanten en verwijderbare dwarsbalken, oeverdories in elkaar genest worden en opgeslagen op de dekken van vissersschoeners, zoals de Gazela Primeiro, voor hun reis naar de visgronden van Grand Banks.

Moderne visserijtrawler Bewerken

De Britse dogger was een vroeg type zeiltrawler uit de 17e eeuw, maar de moderne visserstrawler werd in de 19e eeuw ontwikkeld in de Engelse vissershaven Brixham.

Aan het begin van de 19e eeuw moesten de vissers van Brixham hun visgebied verder uitbreiden dan ooit tevoren vanwege de voortdurende uitputting van de bestanden in de overbeviste wateren van Zuid-Devon. De Brixham-trawler die daar ontstond, was strak gebouwd en had een hoge gaffelopstelling, waardoor het schip voldoende snelheid had om lange afstanden naar de visgronden in de oceaan te maken. Ze waren ook voldoende robuust om grote trawls in diep water te kunnen slepen. De grote sleepnetvloot die zich bij Brixham opbouwde, leverde het dorp de titel 'Moeder van de diepzeevisserij' op.

Dit revolutionaire ontwerp maakte voor het eerst grootschalige trawlvisserij in de oceaan mogelijk, wat resulteerde in een massale migratie van vissers van de havens in het zuiden van Engeland naar dorpen verder naar het noorden, zoals Scarborough, Hull, Grimsby, Harwich en Yarmouth, die waren toegangspunten tot de grote visgronden in de Atlantische Oceaan.

Het kleine dorpje Grimsby groeide tegen het midden van de 19e eeuw uit tot de 'grootste vissershaven ter wereld' [36]. In 1796 werd voor het eerst een wet verkregen die toestemming gaf voor de bouw van nieuwe kades en het uitbaggeren van de Haven om deze dieper te maken. [37] Het was pas in 1846, met de enorme expansie in de visserij, dat de Grimsby Dock Company werd opgericht. De eerste steen voor het koninklijk dok werd in 1849 gelegd door Albert de prins-gemaal. Het dok besloeg 10 ha en werd in 1854 officieel geopend door koningin Victoria als de eerste moderne vissershaven. De faciliteiten bevatten veel innovaties uit die tijd - de dokpoorten en kranen werden bediend door hydraulische kracht, en de 91 m lange Grimsby-doktoren werd gebouwd om water met voldoende druk te voorzien door William Armstrong. [38] De dokken breidden zich gestaag uit in de loop van de volgende eeuw: No. 2 Fish Dock werd geopend in 1877, het Union Dock en Alexandra Dock in 1879, en No. 3 Fish Dock werd gebouwd in 1934. [37] De haven werd bediend door een spoorverbinding naar de Billingsgate Fish Market in Londen, die een echt nationale markt voor Grimsby's vis creëerde, waardoor het landelijk bekend werd.

De elegante Brixham-trawler verspreidde zich over de hele wereld en beïnvloedde overal vissersvloten. Hun kenmerkende zeilen inspireerden het lied Red Sails in the Sunset, geschreven aan boord van een Brixham zeiltrawler genaamd de Torbay Lass. [39] [40] Tegen het einde van de 19e eeuw waren er meer dan 3.000 visserijtrawlers in dienst in Groot-Brittannië, met bijna 1.000 in Grimsby. Deze trawlers werden verkocht aan vissers in heel Europa, ook uit Nederland en Scandinavië. Twaalf trawlers vormden de kern van de Duitse vissersvloot. [41]

Hoewel steeds meer ontworpen vissersvaartuigen over de hele wereld begonnen te convergeren, leidden de lokale omstandigheden nog vaak tot de ontwikkeling van verschillende soorten vissersboten. De Lancashire nobby werd van 1840 tot de Tweede Wereldoorlog gebruikt langs de noordwestkust van Engeland als garnalentrawler. De Manx nobby werd rond het eiland Man gebruikt als haringzwerver. De fifie werd vanaf de jaren 1850 tot ver in de 20e eeuw ook gebruikt als haringzwerver langs de oostkust van Schotland.

De bawley en de smack werden gebruikt in de monding van de Theems en voor de kust van East Anglia, terwijl trawlers en drifters werden gebruikt aan de oostkust. Het vissen op haring begon in de Moray Firth in 1819. Het hoogtepunt van de visserij in Aberdeen was in 1937 met 277 stoomtrawlers, hoewel de eerste dieseldrifter in 1926 werd geïntroduceerd. In 1870 werden raderboten gebruikt om loggers en smakkers naar zee te slepen.

Komst van stoomkracht

De vroegste door stoom aangedreven vissersboten verschenen voor het eerst in de jaren 1870 en gebruikten het sleepnetsysteem van vissen, evenals lijnen en drijfnetten. Dit waren grote boten, meestal 80-90 voet (24-27 m) lang met een straal van ongeveer 20 voet (6,1 m). Ze wogen 40-50 ton en reisden met 9-11 knopen (17-20 km/h 10-13 mph).

De vroegste speciaal gebouwde vissersvaartuigen werden ontworpen en gemaakt door David Allan in Leith in maart 1875, toen hij een zwerver ombouwde tot stoomkracht. In 1877 bouwde hij de eerste schroefaangedreven stoomtrawler ter wereld. Dit schip was Pionier LH854. Ze was van houten constructie met twee masten en droeg een gaffelgetuigd grootzeil en mizen met behulp van gieken, en een enkel voorzeil. Pionier wordt genoemd in The Shetland Times van 4 mei 1877. In 1878 voltooide hij Naar voren en Voorwaarts, stoomaangedreven trawlers te koop. Allan voerde aan dat zijn motivatie voor stoomkracht was om de veiligheid van vissers te vergroten. Lokale vissers zagen de sleepnetvisserij echter als een bedreiging. Allan bouwde tussen 1877 en 1881 in totaal tien boten in Leith. Eenentwintig boten werden voltooid in Granton, zijn laatste schip was ontgraven in 1886. De meeste hiervan werden verkocht aan buitenlandse eigenaren in Frankrijk, België, Spanje en West-Indië. [42]

De eerste stoomboten waren gemaakt van hout, maar al snel werden stalen rompen geïntroduceerd en verdeeld in waterdichte compartimenten. Ze waren goed ontworpen voor de bemanning met een groot gebouw dat het stuurhuis en het dekhuis bevatte. De boten die in de 20e eeuw werden gebouwd, hadden alleen een bezaanzeil, dat werd gebruikt om de boot stabiel te houden als de netten uit waren. De belangrijkste functie van de mast was nu als kraan om de vangst aan land te hijsen. Het had ook een stoomkaapstander op het voordek bij de mast voor het ophalen van netten. De boten hadden smalle, hoge trechters zodat de stoom en dikke kolenrook hoog boven het dek en weg van de vissers vrijkwamen. Deze trechters kregen de bijnaam bosbijnen omdat ze eruitzagen als het populaire sigarettenmerk. Deze boten hadden een bemanning van twaalf bestaande uit een schipper, machinist, brandweerman (om voor de ketel te zorgen) en negen dekwerkers. [42]

Stoom vissersboten hadden veel voordelen. Ze waren meestal ongeveer 20 voet langer (6,1 m) dan de zeilschepen, zodat ze meer netten konden dragen en meer vis konden vangen. Dit was belangrijk, aangezien de markt aan het begin van de 20e eeuw snel groeide. Ze konden sneller en verder reizen en waren vrijer van weer, wind en getij. Doordat er minder tijd werd besteed aan het reizen van en naar de visgronden, kon er meer tijd worden besteed aan het vissen. De stoomboten behaalden ook de hoogste prijzen voor hun vis, omdat ze snel konden terugkeren naar de haven met hun verse vangst. Het grootste nadeel van de stoomboten waren echter hun hoge bedrijfskosten. Hun motoren waren mechanisch inefficiënt en namen veel ruimte in beslag, terwijl de brandstof- en uitrustingskosten erg hoog waren. Vóór de Eerste Wereldoorlog waren de bouwkosten tussen £ 3.000 en £ 4.000, ten minste drie keer de kosten van de zeilboten. Om deze hoge kosten te dekken, moesten ze langere seizoenen vissen. Door de hogere kosten waren er meer stoomdrifters in eigendom of mede-eigendom van het bedrijf. Toen de haringvisserij afnam, werden stoomboten te duur. [42]

Stoomtrawlers werden in de jaren 1880 geïntroduceerd in Grimsby en Hull. In 1890 waren er naar schatting 20.000 mannen op de Noordzee. De stoomdrifter werd pas in 1897 in de haringvisserij gebruikt. De laatste zeilende visserijtrawler werd in 1925 in Grimsby gebouwd.

Verdere ontwikkeling Bewerken

Trawlerontwerpen aangepast naarmate de manier waarop ze werden aangedreven veranderden van zeil- naar kolengestookte stoom door de Eerste Wereldoorlog naar diesel en turbines tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Tijdens beide wereldoorlogen werden veel visserijtrawlers in dienst gesteld als marinetrawlers. Trawlers voor de visserij waren bijzonder geschikt voor veel maritieme eisen, omdat het robuuste boten waren die waren ontworpen om in alle weersomstandigheden met zware trawls te werken en grote, vrije werkdekken hadden. Men zou een mijnenveger kunnen maken door simpelweg de trawl te vervangen door een mijnenveger. Door dieptebommen op het dek toe te voegen, ASDIC eronder, en een 3-inch (76 mm) of 4-inch (102 mm) kanon in de boeg, was de trawler uitgerust voor anti-onderzeeërtaken.

De Royal Navy bestelde veel marine trawlers volgens de specificaties van de Admiraliteit. Scheepswerven zoals Smiths Dock Company die gewend waren aan het bouwen van visserijtrawlers, konden gemakkelijk overstappen op het bouwen van marineversies. Als bonus kon de Admiraliteit deze trawlers verkopen aan commerciële visserijbelangen wanneer de oorlogen eindigden. Toch zijn er tijdens de oorlog veel tot zinken gebracht, zoals HMT Amethist en HMT Kracht.

Gewapende trawlers werden ook gebruikt om vissersgroepen te verdedigen tegen vijandelijke vliegtuigen of onderzeeërs. De kleinste civiele trawlers werden omgebouwd tot danlagen.

In 1931 werd de eerste aangedreven trommel gemaakt door Laurie Jarelainen. De trommel was een cirkelvormig apparaat dat aan de zijkant van de boot werd geplaatst en de netten zou binnenhalen. Dankzij de aangedreven trommel konden de netten veel sneller worden ingetrokken, zodat vissers konden vissen in gebieden die ze voorheen niet konden betreden, wat een revolutie teweegbracht in de visserijsector.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden navigatie- en communicatieapparatuur, evenals vele andere vormen van maritieme apparatuur (dieptepeiling en radar) verbeterd en compacter gemaakt. Deze apparaten werden veel toegankelijker voor de gemiddelde visser, waardoor hun bereik en mobiliteit groter werden. Het zorgde er ook voor dat de industrie veel concurrerender werd, omdat de vissers gedwongen werden meer te investeren in hun boten, uitgerust met elektronische hulpmiddelen, zoals radionavigatiehulpmiddelen en fishfinders. Tijdens de Koude Oorlog hebben sommige landen visserijtrawlers uitgerust met extra elektronische uitrusting, zodat ze konden worden gebruikt als spionageschepen om de activiteiten van andere landen te volgen.

De eerste trawlers visten over de kant in plaats van over de achtersteven. In 1947 heeft het bedrijf Christian Salvesen, gevestigd in Leith, Schotland, een overschot hersteld Algerije-klasse mijnenveger (HMS Geluk) met koelapparatuur en een achterstevenhelling van een fabrieksschip, om in 1947 de eerste gecombineerde vries-/hektrawler te produceren. [43]

De eerste speciaal gebouwde hektrawler was eerlijkheid gebouwd in 1953 in Aberdeen. Het schip was veel groter dan alle andere trawlers die toen in bedrijf waren en luidde het tijdperk van de 'supertrawler' in. Toen het schip zijn netten over de achtersteven trok, kon het een veel grotere trek tot 60 ton optillen. Lord Nelson volgde in 1961, geïnstalleerd met verticale plaatvriezers die waren onderzocht en gebouwd in het Torry Research Station. Deze schepen dienden als basis voor de uitbreiding van 'supertrawlers' over de hele wereld in de volgende decennia. [43]

De introductie van fijne synthetische vezels zoals nylon in de constructie van vistuig in de jaren zestig betekende een uitbreiding van het commerciële gebruik van kieuwnetten. De nieuwe materialen waren goedkoper en gemakkelijker te verwerken, gingen langer mee en vergen minder onderhoud dan natuurlijke vezels. Bovendien worden vezels zoals nylon monofilamenten bijna onzichtbaar in water, dus netten gemaakt met synthetisch touw vingen over het algemeen meer vissen dan netten van natuurlijke vezels die in vergelijkbare situaties worden gebruikt. Om milieuredenen werden kieuwnetten in 1993 door de Verenigde Naties verboden in internationale wateren, hoewel het gebruik ervan nog steeds is toegestaan ​​binnen een straal van 200 zeemijl (400 km) van een kust.

De vroege evolutie van de visserij als recreatie is niet duidelijk. Er is bijvoorbeeld anekdotisch bewijs voor vliegvissen in Japan al in de negende eeuw voor Christus, [44] en in Europa beschrijft Claudius Aelianus (175-235 na Christus) vliegvissen in zijn werk Over de aard van dieren. [45]

Maar voor de vroege Japanners en Macedoniërs was vliegvissen waarschijnlijk een middel om te overleven in plaats van recreatie. Het is mogelijk dat antecedenten van recreatief vliegvissen in Engeland arriveerden met de Normandische verovering van 1066. [45] Hoewel het punt in de geschiedenis waarop de visserij voor het eerst als recreatief kon worden beschouwd niet duidelijk is, [46] is het duidelijk dat de recreatievisserij een volledig aangekomen met de publicatie van De complete visser.

Oorsprong Bewerken

Het vroegste Engelse essay over recreatievisserij werd gepubliceerd in 1496, kort na de uitvinding van de drukpers. Het auteurschap hiervan werd toegeschreven aan Dame Juliana Berners, de priorin van het Benedictijner Sopwell-klooster. Het essay was getiteld Verdragen van Fysshynge wyth an Angle, [47] en werd gepubliceerd in de tweede Boke van Saint Albans, een verhandeling over hawking, jacht en heraldiek. Dit waren grote belangen van de adel, en de uitgever, Wynkyn de Worde, was bezorgd dat het boek zou worden bewaard voor degenen die geen heren waren, omdat hun onmatigheid in het vissen het "volledig zou kunnen vernietigen". [48]

In de 16e eeuw werd het werk veel gelezen en vele malen herdrukt. Verdragen bevat gedetailleerde informatie over viswateren, de constructie van hengels en lijnen en het gebruik van natuurlijk aas en kunstmatige vliegen. Het omvat ook moderne zorgen over natuurbehoud en vissersetiquette. [49]

De vroegste Engelse poëtische verhandeling over Angling door John Dennys, naar verluidt een visser van Shakespeare, werd gepubliceerd in 1613, De geheimen van vissen. Voetnoten van het werk, geschreven door Dennys' redacteur, William Lawson, maken voor het eerst melding van de uitdrukking 'een vlieg werpen': "De forel geeft de meest beschaafde en gemakkelijkste sport van allemaal, als je vist met een kunstmatige vlieg, een lijn twee keer de lengte van je hengel en de dikte van drie haren, en als je de worp van de vlieg hebt geleerd.' [50]

De kunst van het vliegvissen maakte een grote sprong voorwaarts na de Engelse Burgeroorlog, waar een nieuw gevonden interesse in de activiteit zijn stempel drukte op de vele boeken en verhandelingen die destijds over het onderwerp werden geschreven. De beroemde officier in het parlementaire leger, Robert Venables, gepubliceerd in 1662 De ervaren visser, of verbeterd vissen, is een algemene verhandeling over vissen, die veel van de meest geschikte manieren en uitgelezen experimenten bijbrengt voor het vangen van de meeste soorten vissen in vijvers of rivieren. Een andere veteraan uit de Burgeroorlog die enthousiast begon te vissen, was Richard Franck. Hij was de eerste die de zalmvisserij in Schotland beschreef, en zowel bij het vissen op forel met kunstvliegen was hij een praktische visser. Hij was de eerste visser die de kwabaal een naam gaf en prees de zalm van de rivier de Theems. [51]

Complete visser werd geschreven door Izaak Walton in 1653 (hoewel Walton er nog een kwart eeuw aan bleef toevoegen) en beschreef de visserij in de Derbyshire Wye. Het was een viering van de kunst en de geest van het vissen in proza ​​en vers 6 verzen werden geciteerd uit het eerdere werk van John Dennys. Een tweede deel aan het boek werd toegevoegd door Waltons vriend Charles Cotton. [51]

Walton beweerde geen expert te zijn met een visvlieg. De vliegvissen in zijn eerste editie werd bijgedragen door Thomas Barker, een gepensioneerde kok en humorist, die in 1659 een eigen verhandeling schreef, maar door het gebruik van de levende worm, de sprinkhaan en de kikker "Piscator" zelf konden spreken als een meester. De beroemde passage over de kikker, vaak verkeerd geciteerd als zijnde over de worm - "gebruik hem alsof je van hem hield, dat wil zeggen, hem zo min mogelijk schade toebrengen, zodat hij langer kan leven" - komt voor in de oorspronkelijke uitgave. De toevoegingen van Cotton voltooiden de instructie in vliegvissen en adviseerden over het maken van kunstmatige vliegen, waarbij hij vijfenzestig variëteiten opsomde.

Charles Kirby ontwierp in 1655 een verbeterde vishaak die tot op de dag van vandaag relatief onveranderd is gebleven. Hij ging verder met het uitvinden van de Kirby-bocht, een kenmerkende haak met een verschoven punt, die vandaag de dag nog steeds veel wordt gebruikt. [52]

Ontwikkeling Bewerken

De 18e eeuw was vooral een tijdperk van consolidering van de technieken die in de vorige eeuw waren ontwikkeld. Langs de hengels begonnen loopringen te verschijnen, waardoor vissers meer controle over de worplijn kregen. De hengels zelf werden ook steeds geavanceerder en gespecialiseerder voor verschillende rollen. Gezamenlijke staven werden gebruikelijk vanaf het midden van de eeuw en bamboe werd gebruikt voor het bovenste gedeelte van de staaf, waardoor het een veel grotere sterkte en flexibiliteit kreeg.

De industrie werd ook gecommercialiseerd - hengels en uitrusting werden verkocht in de fourniturenwinkel. Na de Grote Brand van Londen in 1666 verhuisden ambachtslieden naar Redditch, dat vanaf de jaren 1730 een centrum werd voor de productie van visserijgerelateerde producten. Onesimus Ustonson vestigde zijn handelswinkel in 1761 en zijn vestiging bleef de volgende eeuw marktleider. Hij ontving een Royal Warrant van drie opeenvolgende monarchen, te beginnen met koning George IV. [53]

Sommigen hebben Onesimus gecrediteerd voor de uitvinding van de vermenigvuldigingslier, hoewel hij zeker de eerste was die reclame maakte voor de verkoop ervan. Vroege vermenigvuldigingshaspels waren breed en hadden een kleine diameter, en hun tandwielen, gemaakt van messing, waren vaak versleten na intensief gebruik. Zijn vroegste advertentie in de vorm van een ruilkaart dateert uit 1768 en was getiteld Aan alle liefhebbers van hengelsport. Een volledige lijst van de takels die hij verkocht, omvatte kunstmatige vliegen en 'de beste soort van vermenigvuldigende koperen lieren, zowel stop als gewoon'. De commercialisering van de industrie kwam in een tijd van toenemende belangstelling voor vissen als recreatieve hobby voor leden van de aristocratie. [54]

De impact van de industriële revolutie werd voor het eerst gevoeld bij de vervaardiging van vliegenlijnen. In plaats van dat vissers hun eigen lijnen draaiden - een moeizaam en tijdrovend proces - konden de nieuwe textielspinmachines gemakkelijk een verscheidenheid aan taps toelopende lijnen produceren en op de markt brengen.

De Britse vliegvisserij bleef zich ontwikkelen in de 19e eeuw, met de opkomst van vliegvisclubs, samen met het verschijnen van verschillende boeken over het onderwerp vliegbinden en vliegvistechnieken.

Alfred Ronalds begon met vliegvissen en leerde het vak op de rivieren Trent, Blythe en Dove. Aan de rivier de Blythe, in de buurt van wat nu Creswell Green is, bouwde Ronalds een vissershut aan de oever die in de eerste plaats was ontworpen als een observatorium voor het gedrag van forel in de rivier. Vanuit deze hut en elders op de rivieren waar hij woonde, voerde Ronalds experimenten uit en formuleerde hij de ideeën die uiteindelijk werden gepubliceerd in De entomologie van de vliegvisser in 1836. [55]

Hij combineerde zijn kennis van vliegvissen met zijn vaardigheden als graveur en drukker, om zijn werk te overladen met 20 kleurenplaten. Het was het eerste uitgebreide werk met betrekking tot de entomologie in verband met vliegvissen en de meeste vliegvissen historici crediteren Ronalds met het instellen van een literatuurstandaard in 1836 die nog steeds wordt gevolgd. [56] Het beschrijven van methoden, technieken en, belangrijker nog, kunstmatige vliegen, op een betekenisvolle manier voor de visser en deze in kleur illustreren, is een presentatiemethode die tegenwoordig in de meeste vliegvisliteratuur te vinden is.

Het boek ging vooral over de waterinsecten - eendagsvliegen, kokerjuffers en steenvliegen - waar forel en vlagzalm zich voeden en hun tegenhanger kunstmatige imitaties. Ongeveer de helft van het boek is gewijd aan observaties van forel, hun gedrag en de methoden en technieken die worden gebruikt om ze te vangen. De meeste van deze informatie, hoewel verbeterd door de ervaringen en observaties van Ronalds, was slechts een verbetering van die van Charles Bowlker Kunst van het vissen (voor het eerst gepubliceerd in 1774, maar nog steeds in druk in 1836). [57]

In Hoofdstuk IV - Van een selectie van insecten en hun imitaties, gebruikt bij vliegvissen - voor het eerst worden specifieke kunstmatige vliegimitaties op naam besproken, geassocieerd met het bijbehorende natuurlijke insect. Georganiseerd door de maand waarin ze verschenen, was Ronalds de eerste auteur die begon met de standaardisatie van namen van vissers voor kunstmatige vliegen. Vóór De entomologie van de vliegvisser, hadden vissers suggesties gekregen voor kunstmatige vliegen die op een bepaalde rivier of in een bepaalde tijd van het jaar konden worden gebruikt, maar die suggesties waren nooit afgestemd op specifieke natuurlijke insecten die de visser op het water zou kunnen tegenkomen. [58] Volgens Ernest Schwiebert: "Ronalds is een van de belangrijkste mijlpalen in de hele literatuur over vliegvissen, en met zijn Entomologie de wetenschappelijke methode heeft het vissen in volle bloei bereikt. Ronalds was volledig origineel in zijn inhoud en onderzoek, en legde de maatstaf voor alle daaropvolgende discussies en illustraties van watervliegluiken. [59]

Technologische verbeteringen Bewerken

In het laatste deel van de 18e eeuw was in Engeland begonnen met het ontwerpen van moderne haspels, en het meest gebruikte model stond bekend als de 'Nottingham-haspel'. De haspel was een brede trommel die vrij uitspoelde en ideaal was om het aas met de stroming mee naar buiten te laten drijven. Vermenigvuldigingshaspels met tandwieloverbrenging sloegen nooit succesvol aan in Groot-Brittannië, maar hadden meer succes in de Verenigde Staten, waar soortgelijke modellen door George Snyder uit Kentucky werden aangepast in zijn aas-casting reel, het eerste in Amerika gemaakte ontwerp in 1810. [60]

Het materiaal dat voor de hengel zelf werd gebruikt, veranderde van de zware houtsoorten die oorspronkelijk uit Engeland kwamen, naar lichtere en meer elastische variëteiten die uit het buitenland werden geïmporteerd, vooral uit Zuid-Amerika en West-Indië. Bamboestaven werden de algemeen favoriete optie vanaf het midden van de 19e eeuw, en verschillende stroken van het materiaal werden uit het riet gesneden, in vorm gefreesd en vervolgens aan elkaar gelijmd om lichte, sterke, zeshoekige staven te vormen met een stevige kern die superieur waren aan alles die hen voorafging. George Cotton en zijn voorgangers visten op hun vliegen met lange hengels en lichte lijnen waardoor de wind het meeste werk kon doen om de vlieg bij de vis te krijgen. [61]

Het ontwerp van de uitrusting begon te verbeteren vanaf de jaren 1880. De introductie van nieuwe houtsoorten bij de vervaardiging van vliegenhengels maakte het mogelijk om vliegen in de wind te werpen op zijden lijnen, in plaats van paardenhaar. Deze lijnen zorgden voor een veel grotere werpafstand. Deze vroege vlieglijnen bleken echter lastig omdat ze moesten worden bedekt met verschillende dressings om ze te laten drijven en moesten van de haspel worden gehaald en om de vier uur worden gedroogd om te voorkomen dat ze doordrenkt raakten. Een ander negatief gevolg was dat de veel langere lijn gemakkelijk in de war raakte - dit werd een 'tangle' genoemd in Groot-Brittannië en een 'backlash' in de VS. Dit probleem spoorde de uitvinding van de regelaar aan om de lijn gelijkmatig uit te spoelen en verstrikking te voorkomen. [61]

De Amerikaan Charles F. Orvis ontwierp en distribueerde in 1874 een nieuw haspel- en vliegontwerp, door haspelhistoricus Jim Brown beschreven als de "benchmark van het Amerikaanse haspelontwerp", en de eerste volledig moderne vliegenhaspel. [62] [63] De oprichting van The Orvis Company hielp het vliegvissen te institutionaliseren door hengeluitrusting te leveren via de verspreiding van zijn uitrustingscatalogi, verspreid onder een kleine maar toegewijde klantenlijst. [ citaat nodig ]

Albert Illingworth, 1st Baron Illingworth een textielmagnaat, patenteerde in 1905 de moderne vorm van een vaste spoelmolen. Bij het gieten van het spoelontwerp van Illingworth werd de lijn van de voorrand van de spoel getrokken, maar werd tegengehouden en teruggespoeld door een lijnopnemer , een apparaat dat rond de stationaire spoel draait. Doordat de lijn niet tegen een draaiende spoel hoefde te trekken, kon er veel lichter kunstaas worden geworpen dan met conventionele molens. [61]

Uitbreiding Bewerken

Tegen het midden van de late 19e eeuw begonnen de uitbreiding van de vrijetijdsmogelijkheden voor de midden- en lagere klassen zijn effect te hebben op de vliegvisserij, die gestaag in massale aantrekkingskracht groeide. Door de uitbreiding van het spoorwegnet in Groot-Brittannië konden de minder welvarenden voor het eerst weekendtrips maken naar de kust of naar rivieren om te vissen. Rijkere hobbyisten trokken verder naar het buitenland. [64] De grote rivieren van Noorwegen vol met grote zalmbestanden begonnen in het midden van de eeuw in groten getale vissers uit Engeland aan te trekken - Jones' gids voor Noorwegen en de zakgenoot van zalmvissers, gepubliceerd in 1848, werd geschreven door Frederic Tolfrey en was een populaire gids voor het land. [64]

In Zuid-Engeland verwierf de drogevliegvisserij een elitaire reputatie als de enige aanvaardbare methode om de langzamere, helderdere rivieren van het zuiden te bevissen, zoals de rivier de Test en de andere krijtstromen geconcentreerd in Hampshire, Surrey, Dorset en Berkshire (zie Zuid-Engeland Krijtvorming voor de geologische bijzonderheden). Het onkruid dat in deze rivieren wordt gevonden, groeit meestal heel dicht bij het oppervlak, en het werd noodzakelijk geacht om nieuwe technieken te ontwikkelen die de vlieg en de lijn op het oppervlak van de stroom zouden houden. Deze werden de basis van alle latere droogvliegontwikkelingen.

Er was echter niets dat de succesvolle inzet van natte vliegen op deze krijtstromen in de weg stond, zoals G.E.M. Skues bewees met zijn nimf- en nattevliegtechnieken. Tot afgrijzen van de droogvliegpuristen schreef Skues later twee boeken, Kleine tactieken van de krijtstroom, en De weg van een forel met een vlieg, die de ontwikkeling van het natte vliegvissen sterk heeft beïnvloed. In Noord-Engeland en Schotland gaven veel vissers ook de voorkeur aan het vissen met natte vlieg, waar de techniek populairder was en meer werd beoefend dan in Zuid-Engeland. Een van Schotlands belangrijkste voorstanders van de natte vlieg in het begin tot het midden van de 19e eeuw was W.C. Stewart, die in 1857 "The Practical Angler" publiceerde.

In de Verenigde Staten was de houding ten opzichte van vliegvismethoden lang niet zo strikt gedefinieerd, en zowel het vissen op droge als op natte vlieg werden al snel aangepast aan de omstandigheden van het land. Men denkt dat vliegvissers daar de eerste vissers waren die kunstaas gebruikten voor het vissen op zeebaars. Nadat ze de vliegpatronen en uitrusting hadden gebruikt die ontworpen waren voor forel en zalm om largemouth en smallmouth bass te vangen, begonnen ze deze patronen aan te passen aan specifieke basvliegen. Vliegvissers die op zoek waren naar baars ontwikkelden de spinner/fly-lokmiddel en baspopper-vlieg, die vandaag de dag nog steeds worden gebruikt. [65]

Aan het einde van de 19e eeuw begonnen Amerikaanse vissers, zoals Theodore Gordon, in de Catskill Mountains van New York vlieggerei te gebruiken om te vissen op de beekforelrijke beken in de regio, zoals de Beaverkill en Willowemoc Creek. Veel van deze vroege Amerikaanse vliegvissers ontwikkelden ook nieuwe vliegpatronen en schreven uitgebreid over hun sport, waardoor de populariteit van vliegvissen in de regio en in de Verenigde Staten als geheel toenam. [65] Albert Bigelow Paine, een schrijver uit New England, schreef over vliegvissen in De tentbewoners, een boek over een reis van drie weken die hij en een vriend in 1908 naar het centrum van Nova Scotia maakten.

Deelname aan vliegvissen bereikte een hoogtepunt in de vroege jaren 1920 in de oostelijke staten Maine en Vermont en in het Midwesten in de lentekreken van Wisconsin. Naast diepzeevissen deed Ernest Hemingway veel om vliegvissen populair te maken door zijn fictiewerken, waaronder The Sun Also Rises.

Het vliegvissen in Australië kwam van de grond toen bruine forel voor het eerst werd geïntroduceerd door de inspanningen van Edward Wilson's Acclimatization Society of Victoria met als doel "mannelijke sport te bieden die Australische jongeren ertoe zal brengen recreatie te zoeken op de oever van de rivier en op de berghelling in plaats van in het café en Casino. [66] "De eerste succesvolle overdracht van bruine forel-eicellen (van de Itchen en Wye) werd bereikt door James Arndell Youl, met een zending aan boord de Norfolk in 1864. Regenboogforel werd pas in 1894 geïntroduceerd.

Het was echter de ontwikkeling van goedkope glasvezelhengels, synthetische vlieglijnen en monofilamentleiders, in de vroege jaren 1950, die de populariteit van vliegvissen nieuw leven inblazen. In de afgelopen jaren is de interesse in vliegvissen enorm toegenomen, aangezien babyboomers de sport hebben ontdekt. Films zoals de film van Robert Redford Er stroomt een rivier doorheen, met in de hoofdrol Craig Sheffer en Brad Pitt, kabelvisshows en de opkomst van een competitief vlieggietcircuit hebben de zichtbaarheid van de sport vergroot.


Mesolithicum – Midden Steentijd

De eerste fase van het Holoceen valt samen met de cultuur van het Mesolithicum of het Midden-Steentijdperk. Mesolithicum is een overgangsfase van het paleolithicum naar het neolithicum, dat wil zeggen van een mensenjager naar een mens die zich bezig gaat houden met een primitieve landbouw en veeteelt.

Het dateert van ongeveer 10.150 BP (vóór heden) tot 6.500 BP. Het mesolithicum bleef grotendeels de tendens van het Boven-Paleolithicum in termen van het creëren en ontwikkelen van nieuwe lokale culturen, terwijl het vrije verkeer van mensen en migratie in groepen nogal verminderd waren. De reden hiervoor is de groei van bossen in veel gebieden die mensen ontmoedigt om van de ene plaats naar de andere te gaan.

De migratie van mensen tijdens het Mesolithicum was echter, naast alles, hoog, vooral in de bewoonbare gebieden van Noord-Europa en Azië die voorheen bedekt waren met gletsjerbedekking. Het klimaat, de flora en de fauna kregen gaandeweg het karakter van vandaag.

Toen gletsjers zich terugtrokken, verdwenen veel grote dieren. Een van de eersten die verdwenen waren mammoeten en harige neushoorns, terwijl andere dieren, zoals elanden en vossen, naar het noorden gingen om de ijsbedekking te volgen. Na smeltende gletsjers en met een warmer klimaat kwamen er uitgestrekte bosgebieden (dennen, sparren, berken, eiken, kastanjes, enz.) en daarmee veranderde ook de dierenwereld. In de bossen konden mesolithische mensen meestal gemzen, nobele herten - Kaspische edelherten, beren, rendieren, wilde zwijnen en andere dieren tegenkomen.

Dat waren kleine maar snelle dieren, die niet in de roedels leefden. Daarom was de jacht op dergelijke dieren niet meer mogelijk. Daarnaast waren eerdere methoden en wapens volledig achterhaald en nutteloos. Nieuwe jachtomstandigheden hebben geresulteerd in een aanzienlijke ontwikkeling van werpwapens en de vooruitgang in de techniek die wordt gebruikt voor het maken van wapens waarvan het uiteindelijke product een pijl en boog was.

In het Mesolithicum breidde het gebruik van microlithons (gr. mikros – small, lithos – stone) aanzienlijk uit, dwz een product gemaakt van steen waarvan de lengte varieerde van 1 tot 2 cm, in de vorm van een prisma, mes of een scherpe spike, die werden gebruikt als inzetstukken in de houten of benen leuningen. Deze producten worden gebruikt voor het maken van gereedschappen die nodig zijn voor breken, snijden, hakken of schrapen, evenals een verplichte pijl en boog. Microlithons vertegenwoordigden het werkende deel van de gereedschappen en wapens.

De techniek om microlithons te maken was zeer geavanceerd. Nieuwe gereedschappen en wapens waren lichter, beter en veel handiger in gebruik. Daarnaast was microlithon gemakkelijk te vervangen als het kapot ging.

De bouw van de pijl en boog betekende een enorme overwinning voor de mens in zijn strijd met de natuur, of zijn strijd om het leven. Dat is hoe, in de handen van Mesolithische mensen, een snel en langeafstandswapen was. Dit wapen is gemaakt met grote precisie van schietende doelen en met dodelijk geweld. Het werd belangrijker dan speren.

Verschillende soorten microlieten, mesolithische wapens.

Een van de belangrijkste uitvindingen van mensen uit het Mesolithicum is gerelateerd aan de werpvleermuis, de zogenaamde boemerang, die was gemaakt van gebogen of plat stuk hout als een oogsthaak die tot 150 meter kon vliegen. Toen de boemerang het doel raakte, met zijn goed geslepen punt, veroorzaakte het ernstige schade of letsel. Veel stammen waren bekend met deze wapens en gebruikten het. Nieuwe technieken bij de ontwikkeling van gereedschappen en wapens stelden Mesolithische mensen in staat om, afhankelijk van de natuurlijke omstandigheden, nieuwe economische activiteiten aan te gaan.

Door de fauna te veranderen, werd de jacht onderdrukt en vervangen door een nieuwe, die was gebaseerd op het vinden van individuele kleine dieren. Een dergelijke jacht was veel succesvoller. Met name door pijl en boog te gebruiken, was de menselijke jager in staat om snelle dieren te vangen, die niet in roedels leefden. Sommige van die dieren waren beesten die meestal niet toegankelijk waren voor mensen. Gunstige omstandigheden voor de jacht zorgden ervoor dat mensen naar de grote vangst konden komen. Omdat ze niet meer alle dieren die ze tegenkwamen konden eten, besloten ze die gewonde dieren of hun kroost in leven te laten. Dat is precies wat de mens ertoe bracht sommige dieren te temmen en te domesticeren. Ze besloten die dieren te houden en te koesteren. Het eerste gedomesticeerde dier was een hond, die later de trouwe metgezel van de mens werd. Het was heel gemakkelijk om een ​​hond te voeren, omdat hij alles at wat de mens eet. In het begin gebruikten de Mesolithische mensen honden in hun voeding en later werden honden gebruikt om andere dieren te vangen, maar ook om te slepen en veilige nederzettingen te houden waarin mensen leefden. Zo is de eerste grote stap voorwaarts gezet als het gaat om het temmen van dieren. Deze stap was ook van groot belang voor de volgende fase in de ontwikkeling van de menselijke samenleving.

De visserij- en verzameleconomie bleef zich grotendeels ontwikkelen in vergelijking met de voorgaande periode. Aan de kusten werden veel nederzettingen gebouwd, als bewijs dat mensen stapels visgraten en schelpen vonden.


De grote hongersnood (1315-1317) en de Zwarte Dood (1346-1351)

De 14e eeuw was een tijdperk van rampen. Sommigen van hen zijn door de mens gemaakt, zoals de Honderdjarige Oorlog, het pausdom van Avignon en het Grote Schisma. Deze werden veroorzaakt door mensen, en we zullen ze wat later bekijken. Er waren twee min of meer natuurrampen waarvan men zou denken dat ze voldoende zouden zijn geweest om het middeleeuwse Europa in een echte "donkere middeleeuwen" te werpen: de Grote Hongersnood en de Zwarte Dood. Elk veroorzaakte miljoenen doden, en elk op zijn manier demonstreerde op dramatische wijze het bestaan ​​van nieuwe kwetsbaarheden in de West-Europese samenleving. Samen onderwierpen ze de bevolking van middeleeuws Europa aan enorme spanningen, waardoor veel mensen oude instellingen uitdaagden en traditionele waarden betwijfelden, en door dit te doen, veranderden deze rampen het pad van Europese ontwikkeling op veel gebieden.

De grote hongersnood van 1315

Aan het begin van de 14e eeuw was de bevolking echter zo gegroeid dat het land alleen onder de beste omstandigheden voldoende middelen kon leveren om het te onderhouden. Er was geen marge meer voor misoogsten of zelfs oogsttekorten. Tegelijkertijd onderging het West-Europese klimaat echter een lichte verandering, met koelere en nattere zomers en eerdere herfststormen. De omstandigheden waren niet langer optimaal voor de landbouw.

We hebben opgemerkt dat er eerder hongersnoden waren geweest, maar geen met zo'n grote populatie om te voeden, en geen enkele die zo lang aanhield. Een natte lente in het jaar 1315 maakte het onmogelijk om alle velden die klaar waren voor de teelt te ploegen, en zware regens verrotten een deel van het zaaizaad voordat het kon ontkiemen. De oogst was veel kleiner dan normaal en de voedselreserves van veel gezinnen waren snel uitgeput. Mensen verzamelden zoveel mogelijk voedsel uit de bossen: eetbare wortels, planten, grassen, noten en schors. Hoewel veel mensen ernstig verzwakt waren door ondervoeding, suggereert het historische bewijs dat relatief weinig mensen stierven. De lente en zomer van 1316 waren echter weer koud en nat. Boerenfamilies hadden nu minder energie om het land te bewerken dat nodig was voor een oogst om het vorige tekort te compenseren en hadden een veel kleinere voedselvoorraad in reserve om hen te onderhouden tot de volgende oogst.

In het voorjaar van 1317 leden alle klassen van de samenleving, hoewel, zoals te verwachten was, de lagere klassen het meest leden. Trekdieren werden geslacht, zaadkorrels werden gegeten, zuigelingen en de jongere kinderen werden achtergelaten. Veel van de ouderen stierven vrijwillig van de honger, zodat de jongere leden van het gezin zouden kunnen leven om weer op het land te werken. Er waren talloze berichten over kannibalisme, hoewel men nooit kan zeggen of het niet louter om geruchten ging.

Misschien herinner je je het verhaal van Hans en Grietje nog. Ze werden in een tijd van honger door hun ouders in het bos achtergelaten en werden opgevangen door een oude vrouw die in een huisje van peperkoek en snoep woonde. Ze zagen dat de oude vrouw hout aan het brengen was en de oven aan het opwarmen was, en ze ontdekten dat ze van plan was ze te braden en op te eten. Grietje vroeg de vrouw om in de oven te kijken om te zien of deze heet genoeg was, duwde haar naar binnen en sloeg de deur dicht. Zoals de meeste De sprookjes van Grimm,,Dit is een vrij laat verhaal, maar het is illustratief voor de grimmige mogelijkheden waarmee de oude kinderverhalen vol zitten.

Tegen de zomer van 1317 was het weer normaal geworden, maar de bevolking van Europa was niet in staat snel te herstellen. Een belangrijke factor in deze situatie was de schaarste aan graan dat beschikbaar was om als zaad te worden gebruikt. Hoewel historici nog steeds niet zeker zijn van de geldigheid van de cijfers, lijken gegevens uit die tijd erop te wijzen dat er een schepel zaad nodig was om vier schepel tarwe te produceren. Op het hoogtepunt van de honger in de late lente van 1317 hadden uitgehongerde mensen veel van het graan gegeten dat normaal als zaad opzij was gezet, als muur, net als veel van hun trekdieren.

Toch waren alle overlevende mensen en dieren gewoon te zwak om effectief te werken. Maar ongeveer tien tot vijftien procent van de bevolking was gestorven aan longontsteking, bronchitis, tuberculose en andere ziekten die de zwakte van de uitgehongerde patiënten fataal hadden gemaakt, en er waren bijgevolg minder monden om te voeden. Dus Europa was herstellen, zij het slechts langzaam.

Pas rond 1325 was de voedselvoorziening weer relatief normaal en begon de bevolking weer toe te nemen. Europeanen waren echter zwaar geschrokken. Het sterftecijfer was hoog geweest en zelfs edelen en geestelijken waren van de honger omgekomen. De wereld leek nu een minder stabiele en 'zachte' plek dan vóór de Grote Hongersnood. Een ander volksverhaal dat rond deze tijd opkwam, suggereert een nieuwe en gewelddadigere houding onder de bevolking, het verhaal van De Muizentoren van Bingen

Er is een oude stenen toren in de Duitse stad Bingen, en het wordt nog steeds door bezoekers aangeduid als de beroemde Muizentoren van de bisschop van Bingen.

De zwarte dood van 1347-1351

Gedurende de volgende jaren verbeterde de Europese economie langzaam en bereikte de landbouw- en industriële productie uiteindelijk het niveau van voor de hongersnood. Deze terugkeer naar de normaliteit werd in het jaar 1347 plotseling beëindigd door een ramp die nog erger was dan de Grote Hongersnood.

Sinds het mislukken van Justinianus' poging om de landen van het Westelijke Rijk in 540-565 te heroveren, was Europa relatief geïsoleerd geweest, had het weinig inwoners en was er weinig onderlinge communicatie tussen de dorpen. Het was alsof het continent was opgedeeld in een aantal quarantainedistricten. Hoewel veel ziekten endemisch waren (dat wil zeggen, ze waren altijd aanwezig), verspreidden besmettelijke ziekten zich niet snel of gemakkelijk. Dus de laatste pandemie (een epidemie die letterlijk overal in korte tijd toeslaat) die Europa trof, was de pandemie die in 547 door de legers van Justinianus naar het Westen was gebracht. bevolking had die situatie veranderd. Er was veel meer verplaatsing van mensen van de ene naar de andere plaats binnen Europa, en Europese kooplieden reisden ver weg naar veel meer regio's van waaruit ze zowel winstgevende waren als besmettelijke ziekten mee naar huis konden nemen. Bovendien waren de voeding, huisvesting en kleding van de gemiddelde mannen en vrouwen in West-Europa relatief slecht, en een tekort aan hout voor brandstof had warm water tot een luxe en persoonlijke hygiëne ondermaats gemaakt.

In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, waren middeleeuwse mensen eigenlijk Leuk gevonden Wassen. Ze genoten vooral van het baden in bubbelbaden en tot in het midden van de dertiende eeuw hadden de meeste steden en zelfs dorpen openbare badhuizen zoals de Japanners die tegenwoordig hebben. De omzetting van bos in bouwland had echter de houtvoorraad verminderd en de badhuizen begonnen te sluiten vanwege de kosten van het verwarmen van het water. Ze probeerden kolen te gebruiken, maar besloten dat het verbranden van kolen ongezonde dampen afgaf (ze hadden trouwens gelijk) en stopten met het gebruik van het spul. Tegen het midden van de veertiende eeuw konden alleen de rijken het zich veroorloven om te baden tijdens de koude wintermaanden, en het grootste deel van de bevolking was het grootste deel van de tijd vies, zelfs als ze er niet van genoten om zo te zijn.

De Zwarte Dood lijkt ergens in Azië te zijn ontstaan ​​en is vanuit het Genuese handelsstation Kaffa op de Krim (in de Zwarte Zee) naar Europa gebracht. Het verhaal gaat dat de Mongolen Kaffa belegerden toen een ziekte uitbrak onder hun troepen en hen dwong het beleg op te geven. Als afscheidsschot laadde de Mongoolse commandant enkele slachtoffers van de pest op zijn katapulten en slingerde ze de stad in. Sommige kooplieden verlieten Kaffa naar Constantinopel zodra de Mongolen vertrokken waren, en ze droegen de pest met zich mee. Het verspreidde zich vanuit Constantinopel langs de handelsroutes en veroorzaakte onderweg een enorme sterfte.

De ziekte werd voornamelijk overgedragen door vlooien en ratten. De magen van de vlooien waren besmet met bacteriën die bekend staan ​​als Y. Pestis. De bacteriën zouden de "keel" van een geïnfecteerde vlo blokkeren, zodat er geen bloed in zijn maag kon komen, en hij werd uitgehongerd omdat hij aan het verhongeren was. Het zou proberen bloed van zijn slachtoffer op te zuigen, om het vervolgens weer in de bloedbanen van zijn prooi te storten. Het bloed dat het terug injecteerde, was nu echter gemengd met Y. Pestis. Geïnfecteerde vlooien besmetten ratten op deze manier, en de andere vlooien die die ratten besmetten, werden al snel geïnfecteerd door het bloed van hun gastheer. Vervolgens verspreidden ze de ziekte naar andere ratten, van waaruit andere vlooien werden besmet, enzovoort. Toen hun knaagdiergastheren uitstierven, migreerden de vlooien naar de lichamen van mensen en besmetten ze ze op dezelfde manier als de ratten, en zo verspreidde de pest zich

De ziekte kwam in drie vormen voor:
builen [infectie van het lymfesysteem -- 60% fataal]
longontsteking [luchtweginfectie - ongeveer 100% fataal], en
bloedvergiftiging [infectie van het bloed en waarschijnlijk 100% fataal]

De pest duurde in elk gebied slechts ongeveer een jaar, maar in die periode zou een derde van de bevolking van een district sterven. Mensen probeerden zichzelf te beschermen door zakjes gevuld met gemalen kruiden en bloemen over hun neus te dragen, maar zonder resultaat. Die individuen die besmet waren met builenvlies zouden grote zwellingen ("bubos" in het Latijn van de tijd) van hun lymfeklieren ervaren en naar hun bed gaan. Degenen met bloedvergiftiging zouden snel sterven, voordat er duidelijke symptomen waren verschenen. Degenen met luchtwegen stierven ook snel, maar niet voordat ze duidelijke symptomen ontwikkelden: een plotselinge koorts die het gezicht een donkerroze kleur maakte, een plotselinge aanval van niezen, gevolgd door hoesten, bloed ophoesten en de dood.

Het is een populaire (hoewel onjuiste) overtuiging dat deze laatste reeks wordt opgeroepen in een kinderspellied dat de meeste mensen kennen en zowel hebben gespeeld als gezongen:

Volgens deze opvatting is de ring genoemd in het vers is een cirkeldans, en de pest werd vaak afgebeeld als de danse macabere, waarin een half ontbonden lijk werd getoond dat een ogenschijnlijk gezonde jonge man of vrouw in een kring van dansers trok, waaronder mannen en vrouwen van alle rangen en standen van het leven, evenals lijken en skeletten. De rosie wordt verondersteld het slachtoffer te vertegenwoordigen met zijn of haar gezicht doordrenkt met bloed, en de posie is de zogenaamd profylactische zak met kruiden en bloemen. As, as is het geluid van niezen, en vallen allemaal! is het signaal om de dood na te spelen die in die tijd zo vaak kwam.

Enkele gevolgen van de pest

De ziekte speelde zich uiteindelijk rond 1351 af in Scandinavië [zie de film van Ingmar Bergman] De zevende zegel], maar een nieuwe golf van de ziekte kwam in 1365 en meerdere keren daarna totdat - om een ​​onbekende reden - de Zwarte Dood verzwakte en werd vervangen door golven van tyfus, tyfus of cholera. Europa bleef tot het midden van de 19e eeuw regelmatig golven van dergelijke sterfte ervaren. Hoewel de builenpest nog steeds endemisch is in veel gebieden, waaronder New Mexico in het Amerikaanse zuidwesten. het verspreidt zich niet zoals de Zwarte Dood van 1347-1351.

De effecten van die plaag en zijn opvolgers op de mannen en vrouwen van middeleeuws Europa waren ingrijpend: nieuwe houdingen ten opzichte van de dood, de waarde van het leven en van jezelf. Het veroorzaakte een toename van klassenconflicten, een verlies van respect voor de kerk en de opkomst van een nieuw piëtisme (persoonlijke spiritualiteit) dat de Europese houding ten opzichte van religie ingrijpend veranderde. Nog een ander effect was echter dat er in Europa een nieuwe culturele kracht werd aangewakkerd, een waarin de nationale talen, in plaats van het Latijn, het voertuig van expressie waren. Een voorbeeld van deze beweging was Giovanni Boccaccio's The Decameron, een verzameling verhalen geschreven in 1350 en gevestigd in een landhuis waar een groep nobele jonge mannen en vrouwen van Florence zijn gevlucht om te ontsnappen aan de pest die in de stad woedt.

Dit waren natuurrampen, maar ze werden nog verergerd door het onvermogen van de leidende elementen van de samenleving, de prinsen en geestelijken, om tijdens deze crises enig leiderschap te bieden. In de volgende paar lezingen zullen we de redenen onderzoeken waarom ze dit niet deden.

En onschuldige vrolijkheid

Ooit was het de gewoonte om elk drama te volgen met een klucht of ballet. Ik veronderstel dat de theorie was dat de emoties van het publiek zo uitgeput waren door de passies die waren opgevoerd, dat zij (het publiek, niet de emoties) een beetje goed schoon plezier nodig hadden om de balans van hun humeur te herstellen (ik heb echt zou je eens over humors moeten vertellen). In navolging van deze eerbiedwaardige traditie biedt The Management u nu een stukje doggerel aan.

'Een ziekelijk seizoen,' zei de koopman,
"De stad die ik verliet was gevuld met doden,
en overal deze rare rode vliegen
kroop over de ogen van de lijken,
eet ze weg."

'Je wordt er best ziek van,' zei de koopman,
"Ze kropen op de wijn en het brood.
Bleke priesters met olie en boeken,
uitpuilende ogen en gekke blikken,
vallen als de vliegen."

'Ik moest lachen,' zei de koopman,
"De dokters zuiverden, doseerden en bloedden"
"En bewezen door plechtige disputatie"
"De oorzaak lag in een of andere constellatie.
"Toen begonnen ze te sterven."

"Eerst niesden ze," zei de koopman,
"En toen werden ze het helderste rood,
Smekte om water en viel toen terug.
Met uitpuilende ogen en gezicht werd zwart,
ze wachtten op de vliegen."

'Ik ben weggegaan,' zei de koopman,
"Je kunt geen zaken doen met de doden.
"Dus ik ben hier gekomen om mijn vak uit te oefenen.
"Je zult merken dat dit een mooi brokaat is."

En toen niesde hij.

Volgende: De Honderdjarige Oorlog 1336-1453
GA TERUG NAAR DE
MIDDELEEUWSE GESCHIEDENIS LEZINGSINDEX

Lynn Harry Nelson
Emeritus hoogleraar
Middeleeuwse geschiedenis
De Universiteit van Kansas
Lawrence, Kansas


De toekomst is nu

In het licht van deze problemen zijn recirculerende aquacultuursystemen (RAS) uitgevonden. Zoals de naam al aangeeft, reinigt en hergebruikt elke broederij een vaste watervoorziening in een overdekte boerderij (denk aan hydrocultuurvissen). Dit systeem maakt visserijspecifieke controle over de omgeving van de broederij mogelijk zonder dat er vers water nodig is. Een RAS kan niet alleen overal worden gelokaliseerd, maar kan het hele jaar door vis produceren in plaats van per seizoen. Andere vleesetende vissen zoals kabeljauw of tonijn zouden theoretisch ook op deze manier kunnen worden gekweekt.

Bovendien zouden grotere vissoorten zoals Kamapchi, neef van de Yellowtail Tonijn, binnenkort op de open oceaan kunnen worden grootgebracht, door tedere schepen in enorme hokken rondgesleept, zodat afval over een veel groter gebied wordt verdeeld en veel minder lokale milieuschade veroorzaakt . Kampachi Farm, de ideologische opvolger van Kona Blue Water Farms, dat in 2001 werd opgericht door een paar zeebiologen, doet precies dat.

“Het algemene doel van deze inspanningen is om de voetafdruk van de mensheid op de zeeën te verkleinen, door over te stappen naar een meer koesterende relatie met onze zeevruchten,”, zei Neil Sims, de mede-oprichter en mede-CEO van Kampachi Farms, een persverklaring. “De Kona Blue-operatie heeft enorme vooruitgang geboekt in de productie van zeevis. We hebben op die locatie meer dan 1 miljoen pond Kona Kampachi per jaar verbouwd, zonder meetbare impact op het milieu buiten het directe hokgebied.'8221


Zet nog een garnaal op de Barbie! (Of niet)

Commerciële garnalenkweek daarentegen staat voor een genetische hindernis. Meer dan 75 procent van de wereldwijde garnalenvoorraad wordt geproduceerd in Azië, met name Thailand en China. De overige 25 procent komt grotendeels uit Zuid-Amerika via Brazilië. Slechts twee soorten, Pacifische witte garnalen en de reuzentijgergarnalen, vormen 80 procent van de commercieel gekweekte garnalen. Twee gigantische monoculturen van garnalen die in minder dan een half dozijn landen worden gekweekt, kunnen gemakkelijk worden verwoest door een uitbraak van virale, bacteriële of schimmelziekten, net zoals Tropical Race 4 de Cavendish-banaan bijna vernietigde. Oh wacht, laat maar, ze zijn al geweest. Herhaaldelijk. En gezien het feit dat de VS 80 procent van de garnalen importeert die ze elk jaar consumeren, zo'n 3,5 miljard dollar waard, zal een massale afsterving van Vietnamese garnalen moeilijk te slikken zijn voor het publiek (of niet).


Jagen in de Middeleeuwen

In de middeleeuwen was jagen evenzeer een voorrecht als een noodzaak. De vorsten waren over het algemeen eigenaar van de bossen en beperkten de jacht erin om alleen de vorsten zelf en hun dienaren toegang te geven. Boeren, aan de andere kant, waren beperkt tot de gemeenschappelijke gronden om te jagen en, als ze de wetten van de jacht zouden overtreden, werden ze zwaar gestraft. De dood was geen ongebruikelijke straf voor degenen die in de koninklijke wouden op jacht werden gevonden zonder de uitdrukkelijke toestemming van de vorst.

Er waren verschillende soorten jacht die gebruikelijk waren tijdens de middeleeuwen. Bij Force was jagen een groepsactiviteit - een groep jonge mannen werd opgesplitst in teams en ze zouden dan prooien (vaak wilde zwijnen) opsporen en achtervolgen en strijden om de moord. Boog- en staljacht omvatte het gebruik van de boog als het favoriete wapen en werd te paard uitgevoerd. Beide soorten jacht omvatten meestal het gebruik van jachthonden die hielpen bij het opsporen van prooien en die de prooi vaak naar afgesloten gebieden dreven, zodat de jager binnen kon komen om te doden.


10 manieren waarop mensen stierven in de middeleeuwen

Op 24 augustus 1349 brak de Zwarte Dood uit in de Pruisische stad Elbing in Noord-Duitsland. Deze gruwelijke ziekte werd in de middeleeuwen synoniem met de dood! Beginnend in de vijfde eeuw en eindigend met de dood van Richard III in de vijftiende eeuw, worden de Middeleeuwen in Europa soms de Middeleeuwen genoemd. De mensen in het middeleeuwse Europa hadden een gemiddelde levensverwachting van ergens in de jaren '30 en '40, veel minder dan de onze vandaag. Dit artikel presenteert 10 manieren waarop mensen stierven in deze periode. Sommige van de sterfgevallen waren gewoon, andere waren nogal onconventioneel.

Dieper graven

10. Infectie door een beet van een dode man!

Een Viking-graaf genaamd Sigurd Eysteinsson (regeerde ca. 875-892) nam het op tegen zijn vijand, Mael Brigte de Bucktoothed, in een strijd waarin elke partij slechts 40 man kon brengen. Sigurd de Machtige bedroog en bracht twee keer zoveel mannen mee. Nadat hij het afgehakte hoofd van Brigte als oorlogstrofee had opgeëist, bond Sigurd Brigte's hoofd vast aan zijn paard. Toen hij het slagveld verliet, krabde een van de beroemde tanden van Mael Brigte aan Sigurds been, wat een infectie veroorzaakte die uiteindelijk zijn leven opeiste. Dit incident bewijst dat karma inderdaad een bitch is.

Toen paus Urbanus II christenen aanspoorde om in opstand te komen tegen de vijanden van God die 'hun' Heilige Land opeisten, wist hij dat dit zou leiden tot het verlies van christelijk leven. Belangrijker was echter dat ze daarbij alle moslims vermoordden die het gebied bezetten. Er waren maar liefst 9 kruistochten of Heilige Oorlogen en mensen uit alle lagen van de bevolking namen eraan deel.

8. Martelaarschap

Terwijl hij als aartsbisschop van Canterbury diende, was Thomas Beckett (ca. 1118-1170) het niet eens met de ideeën van koning Hendrik II over de kerk en gerechtigheid. Nadat Becket enkele van de favoriete bisschoppen van de koning had geëxcommuniceerd, zou de koning hebben geroepen: "Wie zal mij van deze bemoeizuchtige priester verlossen?" Sommige van zijn ridders geloofden hem op zijn woord, reisden naar Canterbury en doodden Becket in zijn eigen kathedraal door slagen op het hoofd toe te brengen. De ridders werden gestraft door op kruistocht te moeten gaan, en Becket werd een heilige en zijn sterfplaats een heiligdom.

Heb je je ooit afgevraagd wat een wolvin met je zou doen als je haar zou kruisen? Isabella van Frankrijk (ca. 1295 -1358), soms beschreven als de wolvin van Frankrijk, stond bekend om haar schoonheid, diplomatie en intellect. Ze was ook de vrouw van Edward II van Engeland, die berucht was om zijn mannelijke favorieten. Van deze mannen werd Hugh Despenser de Jongere bekend als koninklijke kamerheer onder Edward (geen woordspeling bedoeld). Tegen 1325 begon Isabella een eigen affaire met Roger Mortimer. In een pact dat ongetwijfeld door vrouwelijke manipulatie was geregeld, verzamelden de twee een klein leger en trokken door Engeland, in de hoop Edward en de Despensers van de macht te verwijderen. Na een aantal jaren van strijd hadden Isabella en Roger eindelijk de middelen om Hugh Despenser voor de rechter te brengen. Hij bleek een verrader te zijn. Gevoed door haat, vernedering en verlies, liet Isabella hem trekken, de ingewanden opentrekken, castreren en in vieren delen.

6. Boeren en giechelen

Tijdens een feest in 1410 stierf koning Martinus van Aragon (ca. 1356-1410) onder zeer ongelukkige omstandigheden. De combinatie van ernstige indigestie en onbedaarlijk lachen zorgde ervoor dat Martin aan de eettafel in elkaar zakte. Er wordt gespeculeerd dat hij zich eerst volprobeerde aan paling of gans, waardoor hij brandend maagzuur veroorzaakte, maar het was een grap die hem in de war bracht. Zoals John Doran meldde in zijn boek "The History of Court Fools", toen Martin zijn nar vroeg waar hij had onlangs geweest,' antwoordde de nar met: 'Uit de volgende wijngaard, waar ik een jong hert aan zijn staart aan een boom zag hangen, alsof iemand hem zo had gestraft voor het stelen van vijgen'.' Misschien was de koning een beetje dronken ook…

5. Ongeval of moord?

Bela I van Hongarije (ca. 1020-1063) had de troon weggenomen van zijn broer Andreas. Velen waren van mening dat de zoon van Andrew, Salomo, de rechtmatige koning was. Terwijl Bela op zijn troon zat, bezweek het baldakijn boven hem en verpletterde hem. Bewijs van moord werd nooit gevonden, maar hij werd opgevolgd door Salomo.

4. Bevalling

In de Middeleeuwen was de dood tijdens de bevalling heel gewoon. Hygiëne werd nog niet begrepen. Veel vrouwen stierven aan kraamvrouwenkoorts die het gevolg was van een infectie in de voortplantingsorganen. Zowel rijk als arm werden getroffen, en veel koninginnen stierven op deze manier, wat de loop van de geschiedenis beïnvloedde.

3. Verstikking op een vlieg

Adrianus IV (ca. 1100-1159) was de enige Engelsman die paus was. Tijdens de laatste paar maanden van zijn leven leed hij aan quinsy, een aandoening die beter bekend staat als tonsillitis. De arme man nam een ​​slok wijn en inhaleerde een vlieg die in zijn beker had gezwommen. Zonder het bestaan ​​van de Heimlich-manoeuvre, verslikte Adrian IV zich in de combinatie van de vlieg en de pus van zijn amandelen.

2. Massale zelfmoord

Op 25 februari 1336 verdedigden ongeveer 4.000 personen het Pilenai-kasteel in Litouwen. Ze waren enorm in de minderheid. Geconfronteerd met een nederlaag door de Teutoonse ridders en mogelijk slavernij, beval hun leider hertog Margiris dat ze het kasteel in brand moesten steken en hun bezittingen moesten vernietigen voordat ze massaal zelfmoord pleegden.

1. Zwarte Dood

Een zwak immuunsysteem, slechte medische zorg, honger en infectieziekten veroorzaakten talloze doden in de Middeleeuwen, maar geen enkele was zo verwoestend als de Zwarte Dood. Zoals vermeld in een lezingsdia over de Zwarte Dood door Geschiedenis en krantenkoppen'8217s eigen Dr. Matthew Zarzeczny, "de virulente combinatie van builenpest, septicemische en longplagen die een derde of de helft van de bevolking van Europa tussen 1347 en 1352 vernietigden" is met name de meest dodelijke kracht aller tijden. De pandemie raasde in zeer korte tijd door Europa en is verantwoordelijk voor de dood van minstens 75 miljoen mensen in heel Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Pijnlijke tumoren, geïnfecteerde laesies, ademhalingsmoeilijkheden en uiteindelijk de dood overwon zijn hulpeloze slachtoffers even snel als hij van de ene persoon naar de andere ging.

Hoewel het waar is dat niet iedereen in de Middeleeuwen stierf voordat ze hun eigen middelbare leeftijd bereikten, deden veel mensen dat wel. Misschien is wat sommige historische figuren het meest opmerkelijk maakt, niet hoe ze leefden, maar eerder hoe ze stierven.

Vraag voor studenten (en abonnees): Wat was volgens jou de meest bizarre manier om te sterven in de middeleeuwen? Laat het ons weten in de comments onder dit artikel.

Als je dit artikel leuk vond en graag op de hoogte gehouden wordt van nieuwe artikelen, aarzel dan niet om je te abonneren op Geschiedenis en koppen door ons leuk te vinden Facebook en word een van onze klanten!

Voor een ander interessant evenement dat plaatsvond op 24 augustus, zie de Geschiedenis en koppen artikel: “Een slechte dag om joods te zijn of waarom joden denken dat ze een eigen land nodig hebben.”

Uw lezerspubliek wordt zeer gewaardeerd!

Historisch bewijs

Lees voor meer informatie…

DuBruck, Edelgard E. en Barbara I. Gusick. Dood en sterven in de middeleeuwen. Peter Lang Inc., internationale academische uitgevers, 1999.


Middeleeuwse elites gebruikten handen wassen als een gewiekst 'machtspel'. Hier is hoe.

De wasbeurt vóór de maaltijd was een belangrijk ritueel voor zowel boeren als adel, vooral omdat mensen vaak met hun handen aten.

Geen alledaagse taak is het afgelopen jaar belangrijker geworden dan handen wassen. Vanaf het begin van de pandemie, toen de Centers for Disease Control and Prevention (CDC) adviseerden om “handen op een specifieke manier te reinigen”, is 20 seconden inzepen en schrobben een ritueel geworden, vooral bij thuiskomst na een inval in het coronavirus – geteisterde wereld.

Het is het soort ritueel dat middeleeuwse Europeanen zouden herkennen, hoewel het voor hen vaak een meer sociale oefening was dan we nu mogen. Van mensen die in de Middeleeuwen leefden wordt algemeen aangenomen dat ze een slechte persoonlijke hygiëne hadden, maar in werkelijkheid waren velen goed bedreven in reinheid. Uit noodzaak geboren, evolueerde handen wassen tot een zeer gechoreografeerde demonstratie van macht en rijkdom. Het was een 'teken van beleefdheid', zegt Amanda Mikolic, assistent-curator van de afdeling Middeleeuwse kunst van het Cleveland Museum of Art in Ohio. (Ontdek hoe pandemieën de middeleeuwse begrafenispraktijken veranderden.)

Zowel koningen als boeren spoelden zich voor en na de maaltijd aan. De meeste mensen aten met hun handen - bestek was zeldzaam en voedsel werd vaak geconsumeerd met oudbakken brood, sleuvengravers genaamd. Het was nodig om het vuil van de dag weg te wassen en een teken van respect voor degene die je te eten gaf. "Laat uw vingers schoon zijn en uw vingernagels goed verzorgd," beval Les Contenances de Table, een 13e-eeuwse middeleeuwse tekst over tafelmanieren.

Middeleeuwse adel en geestelijkheid brachten het wassen van handen en gezicht naar nieuwe hoogten, waarbij de rituelen rond vorsten bijzonder uitgebreid waren. Degenen die met een middeleeuwse Europese koning dineerden, werden begroet door minstrelen die prachtige muziek speelden op een harp of vedel (een middeleeuwse voorouder van de viool) en naar een toilet geleid met "luxueuze wasbakken ... verse witte handdoeken en geurend geparfumeerd water", aldus Mikolic. Omringd door bedienden maakten de gasten hun handen schoon en zorgden ervoor dat de onberispelijke handdoeken niet bezoedeld werden. Vrouwen zouden hun handen hebben gewassen voordat ze aankwamen, om ervoor te zorgen dat "wanneer ze hun handen op deze witte doeken depten, er geen vuiltje of aarde zou zijn - wat hun deugdzame, schone karakter zou bewijzen."

Zodra iedereen in de grote zaal zat, zou de koning binnenkomen. De gasten stonden te kijken terwijl de koning zijn eigen handen waste. Pas nadat de koning klaar was, gingen alle anderen zitten. Het was "een machtsspel om te laten zien wie de leiding heeft", zegt Mikolic, "zoals bijna alles in het hele programma was."

Strikte richtlijnen bepaalden hoe de edelen aten, waarvan sommige waarschijnlijk de goedkeuring van de CDC zouden krijgen. Les Contenances de Table, zoals vertaald door Jeffrey Singman en Jeffrey Forgeng in hun boek Dagelijks leven in middeleeuws Europa, somt een hele reeks eetregels op:

“Als een hap eenmaal is aangeraakt, laat deze dan niet meer op het bord terug.

Raak uw oren of neus niet aan met uw blote handen.…

Het is wettelijk voorgeschreven dat je een gerecht niet aan je mond mag zetten.

Wie wil drinken, moet eerst afmaken wat er in zijn mond zit.

En laat eerst zijn lippen worden afgeveegd.

Als de tafel is afgeruimd, wast u uw handen en drinkt u iets.”

Uitgebreide rituelen vereisten opzichtige gereedschappen. Kruisvaarders brachten luxe Aleppo-zeep gemaakt van olijf- en laurierolie naar Europa. Al snel begonnen de Fransen, Italianen, Spanjaarden en uiteindelijk de Engelsen allemaal hun eigen versie van Aleppo-zeep te maken met lokale olijfolie in plaats van het stinkende dierlijke vet van de afgelopen eeuwen. Misschien wel de meest bekende van deze Europese versies is de Castilla-zeep uit Spanje, die vandaag de dag nog steeds over de hele wereld wordt gemaakt en verzonden.

Sierlijke vaten zoals aquamaniles (kruiken) en lavabos (in wezen een hangende kom met tuiten) werden gevuld met het warme, geurende water dat werd gebruikt tijdens het handenwassen. In de rijkste huishoudens goten bedienden het geurige water op de handen van degenen die aan het dineren waren. Deze recipiënten werden zo gewaardeerd dat Jeanne d'Évreux, koningin van Frankrijk en echtgenote van Karel IV, verschillende aquamaniles opnam als kostbare tafeldecoraties in haar testament.

Maar uiteindelijk begon handen wassen uit de praktijk te raken. Veel geleerden geven de schuld aan de vork, die tot de 18e eeuw niet vaak werd gebruikt. "Het hele rituele karakter rond handen wassen begint te vervagen wanneer servies prominenter begint te worden, wanneer huishoudens servies voor gasten beginnen te hebben", zegt Mikolic, "en dan wanneer je daadwerkelijk kunt eten terwijl je nog handschoenen draagt." (Moderne tafelmanieren begonnen in de Renaissance.)

Het is te vroeg om te zeggen welke rituelen uit het pandemische tijdperk ons ​​zullen bijblijven. Maar vandaag, lang nadat aquamaniles en lavabos uit de mode zijn geraakt, kan handen wassen nog steeds een manier zijn om te pronken met iemands rijkdom. Van met de hand beschilderde gootstenen tot kostbare zeep gemaakt met essentiële oliën tot zachte handdoeken van Egyptisch katoen, we blijven luxueuze rituelen creëren rond het wassen van onze handen. Telkens wanneer ze geurzepen gebruikt, zegt Mikolic dat ze doet denken aan het geurende water uit de middeleeuwen. “Ik lach altijd.”


Bekijk de video: Het is menens! (Januari- 2022).