Geschiedenis Podcasts

Wie waren de kandidaten bij de consulaire verkiezingen voor 80 voor Christus in Rome?

Wie waren de kandidaten bij de consulaire verkiezingen voor 80 voor Christus in Rome?

Wikipedia beschrijft het politieke proces van 80 voor Christus als volgt:

Tegen het einde van 81 voor Christus nam Sulla, trouw aan zijn traditionalistische gevoelens, zijn dictatuur op, ontbond zijn legioenen en herstelde de normale consulaire regering. Hij stond ook voor (met Metellus Pius) en werd verkozen tot consul voor het volgende jaar, 80 voor Christus. Hij ontsloeg zijn lictoren en liep onbewaakt door het Forum, waarbij hij aanbood aan elke burger rekenschap te geven van zijn daden.

Dit klinkt nogal rechtop. Maar ik vraag me echter af of andere kandidaten behalve Sulla en Metellus, zijn maatje, zich bij die verkiezing mochten - of durfden - kandidaat te stellen. Is hier iets over bekend?

Mijn vermoedens worden nog versterkt door deze passage in Appian:

Het jaar daarop nam Sulla, hoewel hij dictator was, het consulaat voor de tweede keer op zich, met Metellus Pius als zijn collega, om het voorwendsel en de vorm van een democratisch bestuur te behouden. Het is misschien uit dit voorbeeld dat de Romeinse keizers consuls voor het land aanstellen en soms zelfs zichzelf voordragen, aangezien het niet ongepast is om het ambt van consul te bekleden in verband met de opperste macht.


Tijdens zijn dictatuur werden kandidaten om zijn eigen redenen door Sulla aangesteld. Ik geloof dat de verkiezingen van 79 v.Chr. ook beperkt toegankelijk waren.

In 78 na Christus liep de consul Lepidus op een platform om Sulla's veranderingen te hervormen en won de eerste plaats. Dit was waarschijnlijk de eerste volledig vrije verkiezing van de Romeinen in de periode na Sullan.

Plutarchus' leven van Sulla

En in die mate stelde hij meer vertrouwen in zijn geluk dan in zijn prestaties, dat, hoewel hij grote aantallen burgers had gedood en grote vernieuwingen en veranderingen in het bestuur van de stad had doorgevoerd, hij zijn ambt neerlegde van dictator, en de consulaire verkiezingen in de handen van het volk te leggen; en toen ze werden vastgehouden, ging hij niet zelf in de buurt, maar liep als een particulier het forum op en neer, zijn persoon vrijelijk blootstellend aan iedereen die hem ter verantwoording wilde roepen. In tegenstelling tot zijn wensen, zou een zekere gedurfde vijand van hem waarschijnlijk tot consul worden gekozen, Marcus Lepidus, niet door zijn eigen inspanningen, maar vanwege het succes dat Pompeius had bij het verkrijgen van stemmen voor hem van het volk. En dus, toen Sulla zag Pompeius verrukt van zijn overwinning weggaan van de stembus, riep hij hem bij zich en zei: "Wat een mooie overwinning is dit van jou, jongeman, om Lepidus te verkiezen boven Catulus, de meest onstabiele in plaats van de beste der mannen!

Hieruit blijkt dus duidelijk dat de eerste verkiezing die Sulla niet uitvoerde, de overwinning van Lepidus was.


Ik heb het boek Rubicon van Thomas Holland gelezen en hij stelt dat anti-Sullans zich pas durfden uit te spreken nadat Sulla al overleden was. Misschien is het antwoord op uw vraag dat iedereen die zich tegen Sulla durfde te verzetten door hem was vermoord, dus er waren de facto geen potentiële andere kandidaten. De Romeinen steunden Metellus of hielden hun mond. - Jeroen K

Dit is absoluut juist. Bovendien doodde Sulla meer dan 400 "vijanden van de staat" tijdens de eerste 6 maanden van zijn heerschappij. Metellus was eigenlijk erg geliefd, dus er viel niet veel te discussiëren over zijn kandidatuur. Maar degenen die zich tegen hem verzetten, probeerden hem te vergiftigen. Dit is mislukt.


Lokale verkiezingen in Pompei

We zijn nu in de verkiezingscampagne om afgevaardigden of vertegenwoordigers in het Europees Parlement te kiezen. De straten staan ​​weer vol met verkiezingsadvertenties. Ook de Oude Wereld had verkiezingen voor een of ander politiek ambt en voerde een 'campagne' met hun propagandaboodschappen om kiezers te overtuigen.

Vesuvius dat vernietigde Pompei, heeft ons ook veel informatie gegeven over het dagelijks leven in een Romeins stad, bijvoorbeeld over de verkiezingen die elk jaar werden gehouden voor sommige aanklachten van het gemeentebestuur.
In 87 voor Christus Pompeii werd een gemeente zoals de meeste steden van Italië en kort daarna in de 80- het was kolonie. Deze dubbele oorsprong van de inwoners van Pompeii werd aanvankelijk weerspiegeld in de instellingen totdat ze werden verenigd.

De oude democratieën hebben een groot verschil met vandaag: ze zijn niet universeel en daarom zijn er maar heel weinig individuen bij betrokken. Het aantal kiezers van Pompeii zou erg klein zijn. Met de stad en het omliggende platteland waren er naar schatting 36.000 mensen, waarvan de helft slaven waren, de andere helft zou vrouwen zijn die niet stemden, daar waren ook de kinderen. We mogen denken dat ze 2500 mensen in de stad en 5000 in het veld zouden kunnen stemmen. Dus we denken dat familierelaties, vriendschap bepalend zouden zijn.

In steden als Pompeii werden ze gekozen voor een aantal ladingen die vergelijkbaar waren met die van de "urbs", de "city", Rome, met verantwoordelijkheden die uitsluitend betrekking hebben op uw lokale kantoor.

in het bijzonder de aediles, zoals de aediles van Rome en zoals ons heden raadsleden, ook jaarlijks, en duoviri of meer belangrijke lokale magistraten, zoals de Roman consuls, werden gekozen door de burgers, voor een jaarlijkse termijn Duovir het was nodig om eerder te zijn geweest aedile.

De afgevaardigden, de aediles, zorgden voor de gemeentelijke politie, straten, openbare gebouwen, water, het toewijzen van posities op de markt, het verhogen van lokale belastingen en gehuurde gemeentelijke eigendommen, enz. In sommige inscripties worden ze "duoviri belast met straten en openbare en heilige gebouwen"

De oude duoviri maakte de &ldquoordo decurionum&rdquo, vergelijkbaar met de Senaat, voor het leven, door henzelf gekozen.

De seviri augustales of priesters van Augustus, werden op hun beurt gekozen door de ordo decurionum.

Elke vijf jaar de quinquenales (voor vijf jaar) duoviri speelde lokale functies vergelijkbaar met de censoren van Rome.

Het lijkt erop dat voor duoviri het waren slechts twee jaarlijkse kandidaten, dat wil zeggen, zoveel als kosten. We zouden een vraag kunnen stellen over echte democratie in Pompeii, maar houd er rekening mee dat duunvir, het had eerder moeten zijn aedile, en er werden elk jaar slechts twee raadsleden gekozen, dus de lijst met mogelijke kandidaten was erg klein. Dus de dichtstbijzijnde verkiezingen waren van aedile, verkiezingen zouden worden gehouden in maart of april en de termijn zou in juli beginnen.

De stem (suffragium) schriftelijk is uitgedrukt (per tabellam) in een wastablet waarop de naam van de kandidaat was gegraveerd met een stylus. De tablet is gedeponeerd in een doos (arca) of basket (cista) in uw district, onder toezicht van vertegenwoordigers van andere districten, meestal drie. Het proces werd voorgezeten en begeleid door de voorgestelde door de verkiezingsvergadering duovirus, over het algemeen de grootste in de oudheid, zittend op de tribunes (suggestie) bijgestaan ​​door zijn medewerkers, als specialist Staccioli, RA zegt in zijn Manifest elettorali nell'antica Pompei.

De beschrijving komt in zijn geheel overeen met het huidige proces: districten, stembussen, stembiljetten, agenten en vertegenwoordigers, voorzitter van de raad van verkiezing …

Een belangrijk onderdeel van het proces was: de verkiezingspropaganda.

We hebben veel getuigenissen van verkiezingsposters in Pompei: de 25.000 inscripties of graffiti die op muren van huizen verschijnen, sommige aan de buitenkant en andere aan de binnenkant, tiende, ongeveer 2500 zijn verkiezingsaffiches die ons veel en soms curieuze informatie verschaffen.

Er moet een algemene overweging worden gemaakt. Ten eerste impliceert een dergelijke registratie een bepaald niveau en ontwikkeling van het leesvermogen van de Pompeianen. Sommige beroemde schilderijen en mozaïeken weerspiegelen ook de alfabetiseringsgraad.
De graffiti, over het algemeen goed gekalligrafeerd, zijn gemaakt door professionele signmakers die elke vorm van registratie doen. Ze zijn zich zo bewust van zijn kunst dat ze soms zijn naam parafeerden. Bijvoorbeeld een bepaalde Celer meldt dat "Aemilius Celer, zijn buurman, schreef het," en in afwachting dat iemand wist, voegde hij eraan toe: "Als je het kwaad hebt om het uit te wissen, wens ik je iets verkeerds toe." Deze Celer is de auteur van andere graffiti die een gladiatorenshow aankondigt.

Buren smeken u om Lucius Statius Receptus duumvir te kiezen met gerechtelijke
macht, een waardig man. Aemilius Celer schreef dit, een buurman. Jij jaloers
iemand die dit vernietigt, moge je ziek worden.

L(ucium) Statium Receptum
IIvir(um) i(ure) d(icundo) o(ro) v(os) f(aciatis) vicini dig(num)
scr(ibsit) Aemilius Celer vic(ini)
invidio
qui deles
ae[g]rotes

De meeste zijn in rood en zwart geschreven. Ze zijn geschreven in hoofdletters (hoofdletters) letter en cursief en weerspiegelen gesproken Latijn, vulgair Latijn zoals sommigen … noemen

Ze zijn meestal erg formeel en respecteren een formule die constant wordt herhaald (ook de huidige advertenties zijn erg formeel en variëren niet in de algemene vorm van een campagne tot een andere, ze missen bijvoorbeeld geen STEMMEN …). Dat wil zeggen, ze zijn over het algemeen erg eentonig en oncreatief en ze gebruiken veel afkortingen, O voor & ldquooro, orant (bedelen) V voor vobis (voor jou), F voor faciatis (gemaakt) ROG voor ROGo, rogant DRP voor Dignum rei publcae (ideaal voor Public Affairs).

De algemene formule is: naam van de kandidaat in de accusatief en het ambt dat in het kort wordt gevraagd, AED (ILEM), II VIR (um). Dan de naam wiens voorstel of onderschrijft het vragen van de stemming in nominatief en formule ROG (at / mier, voorstel, vraag, of O (ro) V (os) F (aciatis) (ik vraag je om te doen). Het geeft in het algemeen aan:

Mevrouw die-en-die vraagt ​​je om (duunvir) te doen aan mevrouw Die-en-zo...

Ooit hebben ze een beetje meer originaliteit, zoals in het volgende voorbeeld waar de boodschap wordt afgewisseld tussen de letters van de kandidaat (CIL, IV 07868):

Ik smeek u om Lollius te kiezen, geschikt voor wegen en openbare en heilige gebouwen.

Lollium d(ignum) v(iis) a(edibus) s(sacris) p(ublicis) o(ro) v(os) f(aciatis)
L OD LV LA IS VP M OVF


Over het algemeen is elke poster opgedragen aan één kandidaat en zelden verschijnen beide namen.

De posters worden niet na elke campagne opgeruimd, maar ze stapelen zich op elkaar op, soms worden de oude posters bedekt met een laag gips om de nieuwe bovenkant ervan te registreren. Sommige advertenties komen overeen met de tijd van de schepping van Pompei als Romein kolonie in 80 voor Christus, maar de meeste komen overeen met de laatste jaren van de stad, tussen de aardbeving van 62 DC en de uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Christus die de stad verwoestte.

Gezien het feit dat sommige advertenties worden gesuperponeerd op andere advertenties die niet zijn verwijderd, is geprobeerd een tijdlijn van de kandidaten in te stellen, maar dit is een zeer moeilijke en uitdagende taak.

Sommige zijn zeker rechtstreeks in opdracht van de betrokken kandidaat, andere worden gegeven door familieleden, andere tonen anonieme steun of van bepaalde sociale groepen (vollers, ververs, molenaars, pluimvee, oogstmachines, tapijt- of mattenmakers, zalvenverkopers, vissers , muilezeldrijvers, uienverkopers, juweliers, kappers, kappers, bakkers, hoedenmakers, ..), of religieuze broederschappen (aanhangers van Venus, aanhangers van Isis, '8230) of groepen vrienden (balspelers, damspelers, kameraden, vrienden amfitheatervoorstellingen, de arbeiders en de armen, prostituees (8230) of van bepaalde invloedrijke mensen. Men neemt dus zijn toevlucht tot het gezag van Suedius Titus Clemens, agent van keizer Vespasianus. Uiteraard steunt de eigenaar van het gebouw waarin de graffiti verschijnt de kandidaat.

CIL 04, 01147:
Ik vraag u om aedile Aulus Vettius Firmus te kiezen, die publieke zaken waardig is, vraag u hem te kiezen, balspelers kiezen hem.

A(ulum) Vettium Firmum / aed(ilem) o(ro) v(os) f(aciatis) d(ignum) r(ei) p(ublicae) o(ro) v(os) f(aciats) pilicrepi facite

CIL IV 09932
Modestus voor aedile (gemeenteraadslid). De kansarmen en de armen kiezen hem.

Modestum aed (ilem)[prole]tari et pauper[es] facite

Opmerking: anderen lezen [unguen] tari (ik) parfumeurs

CIL, IV 00202
Alle verkopers van appels met Helvius Vestalis propos Marcus Holconius Priscus voor duunvir (majoor) (II vir) belast met justitie (iure dicundo)

M HOLCONIVM
PRISCVM .II VIR . ID KAART.
POMARI. VNIVERSI
CVM HELVIO VESTALE ROG&hellip

M(arcum) Holconium / Priscum IIvir(um) i(ure) d(icundo) / pomari universi / cum Helvio Vestale rog(ant)

Er zijn in ieder geval geen formele politieke partijen en er zijn er die vragen om op de kandidaat te stemmen.

Soms, een paar keer, verschijnt de naam van een vrouw, zoals bijvoorbeeld Tedia Secunda, die de grootmoeder blijkt te zijn van Lucius Popidius Secundus, met hem verschijnt ze naast. Hoe dan ook, oma's vroeger als nu hebben een zwak voor hun kleinkinderen en dit zou trots zijn op de politieke carrière van zijn kleinzoon.

(CIL 04, 07469)
Ik smeek u om Lucius Popidius Secundus aedile te maken. Zijn bezorgde grootmoeder Tedia Secunda vroeg het en hij deed het.

L(ucium) Popi[dium] S[ecun]d[u]m aed(ilem) o(ro) v(os) f(aciatis) / Taed[i]a secunda cupiens avia rog(at) et fecit

Bij verschillende gelegenheden zijn de meisjes van een taverne de steun voor een kandidaat, voor de grap of serieus, we weten het niet …

CIL IV 07863
[Maak] C.Lollius Fuscus duumvir voor het verzorgen van de wegen [en] de heilige [en] openbare gebouwen. Aselina's [meisjes?] vragen je, niet zonder Zmyrna.

Opmerking: Aselina's meisjes prostituees zouden zijn.

C(aium) Lollium / Fuscum IIvir(um) v(iis) a(edibus) s(acris) p(ublicis) p(rocurandis) / Asellinas(!) rogant(!) / neg sine Zmyrina

Opvallend is de steun aan kandidaat van een groep vrouwen die gewoon niet stemmen of deelnemen aan de politiek.
Soms is er ironie te bespeuren, zoals wanneer bepaalde niet aan te raden groepen steun lijken te betuigen aan een kandidaat of misschien is het ook een voorbeeld van tegenpropaganda. Zie hieronder de opmerking bij een graffiti waarnaar wordt verwezen Helvius

De namen van vier vrouwen, Aselina, Egle, Smyrna en Mary, die mogelijk tot dezelfde inscriptie behoort, verschijnen op de buitenmuur van een herberg in Via dell'Abbondanza het zijn waarschijnlijk serveersters of prostituees. Misschien zijn het de dienstmeisjes bijvoorbeeld, Griekse namen Egle en Smyrna lijkt slaaf naam misschien een geil zet de namen van de dienstmeisjes naast de electorale adviseert gekscherend de advertentie aan te vullen. Misschien vond de geïnteresseerde Gayo Juiio Polybius het niet leuk omdat het de naam lijkt te hebben gewist van Smyrna met een laagje kalk, alsof hij die steun wilde verwijderen of misschien was ik het bezorgde meisje dat het bedekte.

Ik smeek u om Cn te kiezen. Helvius Sabinus aedile, een openbaar ambt waardig. Aegle
vraagt ​​dit.

Cn(aeum) Helvium Sabinum / aed(ilem) d(ignum) r(ei) p(ublicae) o(ro) v(os) f(aciatis) Aegle rogat

Ik smeek u om Cn te kiezen. Helvius Sabinus aedile, een openbaar ambt waardig. Maria
vraagt ​​dit.

Cn(aeum) Helvium Sabinum / aed(ilem) d(ignum) r(ei) p(ublicae) o(ro) v(os) f(aciatis) Maria rogat

Dus ook de naam is verwijderd Cuculla uit het opschrift, misschien omdat de kandidaat hem of zijn "verkiezingscommissie" niet mocht:

CIL IV 07841
Caius Julis Polybius voor duunvirum. Cuculla smeekt erom.

C(aium) Iulium Polybium. (duo)vir(um) Cuculla rog(at)

Marcus Cerrinius Vatia wordt ondersteund door tal van individuen en groepen zoals: pomari of appelverkopers, (CIL, IV 00149), of door de saccari of laarzentassen (CIL, IV 00274), of door de campanians (CIL, IV 00480), of door coronarii, de fabrikanten van kronen (CIL, IV 00502) en door iedereen seribi of "tot diep in de nacht drinken" (CIL, IV, 00581), die ik hieronder weergeef:

De late drinkers vragen je allemaal om Marcus Cerrinius Vatia aedile te kiezen. Florus
en Fructus schreef dit.

M(arcum) Cerrinium / Vatiam aed(ilem) o(rant) v(os) f(aciatis) seribibi / universi rogant / scr(ipsit) Florus cum Fructo

Opmerking: sommige commentatoren denken dat de namen van de griffiers fictief zijn.

En zij met wie slapen? … (weet niet met wie):

CIL IV 00575
Al degenen die slapen en Macerius vragen om Vatia als aedile.

Vatiam aed(ilem) rogant / Ma cerio(m!) dormientes / universi cum / [

CIL IV 00576
De kleine dieven vragen om Vatia als aedile.

Vatiam aed(ilem) furunculi rog(mier)

Marcus Cerrinius Vatia. Alle voortvluchtige slaven.

[M Cerrinium Vatiam?] drapetae omnes

Het lijken allemaal voorbeelden van tegenpropaganda of ongewenste ondersteuning.

Het is een grappige waarin de kunstenaar wat oogst toevoegt

Caius Julis Polybius voor aedile voor het onderhoud van de wegen [en] de heilige [en] openbare gebouwen. Lantaarndrager, houd de ladder vast.

C(aium) Iulium Polybium / aed(ilem) v(iis) a(edibus) s(acris) p(ublicis) p(rocurandis) // lantaarnari tene / scalam.

Er zijn geen programma- of campagnebeloftes, het lijkt de morele status van de kandidaat te prevaleren. Soms de initialen DRP (Dignum Rei Ppublicae) en bijvoeglijke naamwoorden die verband houden met uw waardigheid en eerlijkheid verschijnen. "Dignus" betekent eigenlijk "geschikt, voldoende& rdquo. Andere lovende bijvoeglijke naamwoorden die soms kunnen worden gebruikt, zijn: virum bonum (goede man), virum probum (eerlijke man) iuvenem (Young), iuvenem probum (eerlijke jonge) adulescentem probum (eerlijke tiener), verecundissimum (zeer respectabel), toe te voegen dus elke reden om op hem te stemmen.

CIL 04, 06626
Als men denkt dat integriteit in het leven enig nut heeft,
Deze man, Lucretius Fronto, verdient grote eer.

Si pudor in vita quicquam prodesse putatur / Lucretius hic Fronto dignus honore bono est.

Er wordt gezegd over Gaius Julius Polybius dat "laat (of breng) lekker brood zien" zonder te weten of hij de bakker is of iemand die gratis brood maakt.

Ik smeek u om Gaius Julius Polybius aedile te kiezen. Hij brengt lekker brood.

C(aium) Iulium Polybium / aed(ilem) o(ro) v(os) f(aciatis) panem bonum fert

Er wordt gezegd over Brutius Balbus dat "hij verspilt geen geld in de stad" en dit kan betekenen dat het een goede manager is of dat hij zijn eigen geld uitgeeft"

Brutius Balbus voor duumvir. Dit bespaart de staatskas. Genialis vraagt ​​het.

Bruttium Balbum // IIvir(um) / hic aerarium conservabit // Gen[ialis] / rog(at)

Casuïstiek is enorm in 2500 advertenties. Ik reproduceer wat meer met een merkwaardig detail, dus:

(CIL, IV, 02887)
Als Quintius afwijst, ga dan op een ezel zitten

Quintio(m) si qui recusat, assidat ad asinum&rdquo

Opmerking: In tegenstelling tot de meeste, roept dit niet op voor de stemming, maar kondigt het kwaad aan voor degenen die niet voorzien. Met "op een ezel zitten"het lijkt te verwijzen naar zwaar en constant werk waarmee de ezels rond het molenrad cirkelden naar de dichter" Catullus verwijst in zijn gedicht 97, v, 10: "et non Pistrino asino atque traditur?" (een)en wordt hij niet als een ezel naar de molen gestuurd?. Het kan ook betekenen "op een ezel rijden om te dienen. spot en spot. "

De jeugdclub van de jeugd van Venus stelt Ceyus Secundus voor als duumvir belast met justitie

CEIVM SECVNDVM IIV I D
VENERIOSI ROG IVVENEM

Ceium Secundum IIv(irum) i(ure) d(icundo) / Veneriosi rog(ant) iuvenem

Een van de raadsleden houdt van M.Cerrinus, de andere is zijn liefde. Daardoor haat ik hem. Hij die de liefde haat.

M(arcum) Cerrinium / aed(ilem) alter amat alter / amatur ego fastidi(i?) / qui fastidit amat

Opmerking: We herinneren ons het beroemde gedicht 85 van Catullus ' Odi et amo "," Ik haat en ik hou van "

Op meer dan honderd advertenties staan ​​meerdere kandidaten. Ik zal een van hen in overweging nemen, Cnaeus Helvius Sabinus, verschijnen in minstens 140 keer en zo leren we meer details over deze politieke propaganda.

(CIL 4, 9928):
Ik smeek u om Cn te kiezen. Helvius Sabinus aedile, een openbaar ambt waardig.

CN HELVIVM
SABINVM AED(ilem)
D R P O V F

Cn(aeum) Helvium / Sabinum aed(ilem)/ d(ignum) r(ei) p(ublicae) o(ro) v(os) f(aciatis)

Zoals ik al zei, verschijnt hij in 140 inzendingen. In de meeste staat hij met drie namen Cn (aeum) Helvium Sabinum 15 keer als Helvium Sabinum 8 als Cnaeum Helvium in 6 als Helvium 1 als Cnaeum Helvium Sabinum Arieh. We concluderen daarom dat dit een bekend karakter is en gemakkelijk te herkennen is door burgers.

In de meeste gevallen verschijnt hij slechts 6 keer als kandidaat met een andere kandidaat die slechts één keer verschijnt aedile ook verschijnt hij in de rest voor duumvir.

Meestal lijkt het het kantoor dat hij wil, aedilem (meer dan 100) een keer duumvir (IIvirus) hij verschijnt alleen in een dozijn met een naam van de drie zonder meer gegevens, zodat de kiezer moet weten welke positie hij wil.

Slechts twee keer de functies als aedile worden gespecificeerd: de opdracht van heilige en openbare gebouwen (tempels):

Ik smeek je om hem aediel te maken voor het zorgen voor de heilige en openbare gebouwen

Aed(ilem)d(ignum) r(ei) p(yublicae) v(iis) a(edibus) s(acris) p(ublicis) p(rocurandis) O(ro) V(os) F(aciatis)

In de meeste, ten minste de helft, volledige of niet-typische formule wordt gebruikt: D (Ignum) R (ei) P (ublicae) O (ro,-mier) ((of rog (o,-mier) (V ( os) F (aciatis): (meer dan 60 keer). Dignum, waardig, proper, verwijst naar de verdiensten en geschiktheid voor de functie.

Vier keer wordt hij virum bonum (goede man) genoemd, vijf keer virusprobum (eerlijke man) een keer iuvenem (jong) en twee keer iuvenem probum (eerlijk jong), waarmee hij een reden geeft waarom hij gekozen zou moeten worden.

In de meeste gevallen is de advertentie anoniem, waarschijnlijk in opdracht van de kandidaat zelf.
Meer dan 34 keer wordt hij voorgesteld door anderen:
– Door individuen, soms vergezeld door zijn familie (suis) of door zijn vrouw (sua) Aegle (tweemaal) Popidi (us), Caprasia, Balbus, Iunia, Thyrsus, Parthope en Rufino, Crescens (tweemaal), Vesonius Primus, Infantio, Astylus, Astyle, Pacuvius, Lorei, Maria.
– Door personen met familie: Equitius cum suis, Primus cum suis, Infantio cum suis, Amandio cum sua, Epidius cum suis, Porcellus cum suis, Biri cum Biria.
– Door zijn buren: vicini (tweemaal)
– Per groepen: urbulanenses, Poppaei, Aliari, Isiaci (aanhangers van Isis), cum gallinariis Hermes (Hermes met hoeders van kippen), pistores cum vicinis (tweemaal): bakkers met zijn buren, Masculus cum codatis.

Het laatste, Masculus cum codatis, heeft bijzondere aandacht gekregen. de grafitti, CIL IV 7240 zegt:

Kies Gnaeus Helvius Sabinus aedile, hij is waardig om de gemeenschap te beheren. Masculus en al degenen die een staart hebben, raden jullie hem aan.

CN HELVIVM
SABINVM AED D R P O F
MASCVLVS CVM CODATIS VBIQ

Cn(aeum) Helvium / Sabinum aed(ilem) d(ignum) r(ei) p(ublicae) o(rat) f(aciatis) / Masculus cum codatis ubiq(ue).

Sommige commentatoren, zoals Della Corte, recensenten dat de graffiti kan verwijzen naar een broederschap van toegewijden van de god Priapus van wie Masculus zou hun voorzitter zijn. Het wordt in ieder geval geïnterpreteerd als een voorbeeld van ongewenste ondersteunende advertenties, die een kandidaat in diskrediet brengen of gewoon een slechte grap.

Hoe dan ook, het zijn 2500 graffiti die waardevolle documenten zijn om één aspect van het sociale en politieke leven van een Romeinse stad van de eerste eeuw. Blijkbaar zijn er veel verschillen met de wereld van vandaag op de achtergrond zijn er niet veel. Het doel of het doel en de vorm van deze berichten lijken in feite erg op de onze: het is om de kiezer over te halen een bepaalde kandidaat te kiezen, meestal zonder verdere toevoegingen. Soms wordt er wat data weergegeven op basis van de kwaliteiten van de kandidaat en soms wordt de steun van bepaalde sociale groepen weerspiegeld, zoals nu wordt aangeboden.

Zoeken naar items

Antonio Marco Martinez.

Geboren in januari 1949, professor Latijn aan verschillende instituten, heeft hij nu in zijn pensionering genoeg tijd om de Grieks-Latijnse klassiekers te herlezen, hun geschiedenis en cultuur te herzien en informatie te extraheren die van direct belang is voor het huidige moment.


Wie waren de kandidaten bij de consulaire verkiezingen voor 80 voor Christus in Rome? - Geschiedenis

De kans is groot dat je, waar je ook bent, hebt gehoord over de verkiezingen in de Verenigde Staten. Terwijl het land bezig is met de resultaten van hun stemmen, willen we misschien nadenken over de geschiedenis van verkiezingen en democratie die de samenstelling van de Verenigde Staten hebben beïnvloed.

Een munt met een afbeelding van een oude Romein die een stem uitbrengt. C. Cassius Longinus (uitgever). 63 voor Christus. AR Denarius (3,75 g, 4 uur). Rome munt. Naamsvermelding: Classical Numismatic Group, Inc. http://www.cngcoins.com. Met dank aan Wikimedia Commons.

Hoewel de Romeinen bekend staan ​​om de niet-democratische traditie van hun keizers, namen de Romeinen tijdens de Republiek deel aan de stemming over maatregelen en ambten. Nadat de Romeinen hun Etruskische heersers in 509 v.G.T. zij vestigden hun republiek. De stemming was tijdens het Republikeinse Rome misschien niet zo belangrijk als in de moderne tijd wordt aangenomen, maar de invloed van deze republiek is tot in het heden doorgedrongen.

Beginnend met slechts twee consul-posities die openstonden voor verkiezingen, eindigde de Republiek met 44 kantoren die openstonden voor verkiezingen. Degenen die konden stemmen waren natuurlijke Romeinse mannen. Dit sloot vrouwen, slaven en iedereen uit die niet in Rome was geboren. Hoewel dit het electoraat ernstig beperkte, heeft de enorme omvang van het Romeinse rijk historici ertoe gebracht te geloven dat het electoraat op een gegeven moment tot 910.000 leden zou hebben geteld.

De verkiezingen konden competitief zijn en er waren zelfs propagandastrategieën. Een strategie was om eten en drinken aan te bieden uit kommen met de naam van een kandidaat. Deze lekkernijen werden tijdens de verkiezingen op straat aangeboden.

Met de beker links vraagt ​​Marcus Porcius Cato (Cato de jongere) (petit) om verkozen te worden tot Tribune van het plebs. De beker aan de rechterkant werd gesponsord door Lucius Cassius Longinus (praetor met Cicero in 66 voor Christus) ter ondersteuning (suffragatur) van Lucius Sergius Catilina (Catilinae) voor het consulaat. Met dank aan Wikimedia Commons.

Het was echter onmogelijk om te verwachten dat een meerderheid van deze kiezers de stemmingen zou kunnen bijwonen, die op bepaalde locaties slechts ongeveer 5 uur duurden. Er zijn vandaag geen bronnen die ons kunnen vertellen wat voor soort opkomst er bij de stemming was, maar Juius Caesar liet een aanbouw op de Campus Martius bouwen om als stembureau te dienen.

Tempel van vergoddelijkte Hadrianus (Hadrianeum), Campus Martius, Rome. Naamsvermelding: Carole Raddato uit FRANKFURT, Duitsland. Met dank aan Wikimedia Commons.

Deze bijlage, te oordelen naar zijn omvang, had slechts tussen de 30.000 en 70.000 mensen kunnen bevatten. Historici zijn van mening dat het bereik van 6.000 en 16.800 een realistischer bereik is, gezien de benodigde ruimte om fysieke stemmen te verzamelen. Met een electoraat van 910.000 betekent dit dat minder dan 10% van de Republiek rond deze tijd op kantoren stemde.

Augustus zou, na Caesar, verkiezingen houden, maar de mannen die zich kandidaat stelden, waren vooraf geselecteerd. Dus hoewel de opkomst zo klein was, duurde het belang van die verkiezingen niet lang na de bouw van dat stembureau.

bronnen:
Rachel Feig Vishnia. Romeinse verkiezingen in het tijdperk van Cicero: samenleving, regering en stemmen. Routledge, 12 maart 2012.

Bouw woordenschat op, oefen uitspraak en meer met Transparent Language Online. Altijd en overal beschikbaar, op elk apparaat.


Comité voor de afschaffing van onwettige schulden

17 december 2012 door Jean Andreau

Jean-Pierre Dalbéra - Flickr cc

In de Grieks-Romeinse oudheid was er geen staatsschuld. Deze afwezigheid is eigen aan de periode, in tegenstelling tot Italiaanse steden uit de late middeleeuwen en moderne tijden, en moderne staten. Sommige Griekse steden leenden zeker publiekelijk [1], vooral in de Hellenistische periode, maar zulke leningen waren altijd incidenteel en vormden geen staatsschuld. Wat Rome betreft, zijn standpunt over openbare leningen was absoluut radicaal: het moest zoveel mogelijk worden vermeden, en ook de andere steden van het rijk werden zoveel mogelijk verhinderd om te lenen. Dit beleid werd voortgezet door de Romeinse keizer Augustus en door zijn opvolgers [2]. Alleen tijdens de bijzonder meedogenloze 'Punische oorlogen (tegen Carthago)'8217 in de derde eeuw voor Christus leende Rome geld. Toch deden min of meer professionele financiers niet mee, de leningen kwamen van Romeinse burgers door middel van een verplichte, maar terugbetaalbare heffing.

Dus de kwestie van de Romeinse staatsschuld kan de plaats overlaten aan discussie over particuliere schulden.
In Romeinse documenten wordt vaak melding gemaakt van particuliere schulden en de crises die zijn veroorzaakt. Bijvoorbeeld de historicus Tacitus, (ongeveer 58 -120), schreef over een dergelijke crisis die plaatsvond in 33 CE tijdens het bewind van Tiberius: ’Loan interest Interest Een bedrag betaald als vergoeding voor een investering of ontvangen door een geldschieter. De rente wordt berekend over het bedrag van het geïnvesteerde of geleende kapitaal, de duur van de operatie en het vastgestelde tarief. was een diepgeworteld kwaad in de stad Rome, een veel voorkomende oorzaak van opruiing en onenigheid die ten zeerste werd afgekeurd [3] Aangezien Tacitus in de volgende regels zinspeelt op de 'Wet van de Twaalf Tafelen'8221, een normatieve tekst uit 450 voor Christus. en op het verbod op woeker, hoogstwaarschijnlijk ingevoerd vanaf 342 v. Chr. Deze oude tijden zijn blijkbaar de vijfde en vierde eeuw v. Chr.

Gedurende deze eeuwen werden betalingen gedaan met bronzen staven en vervolgens, tegen het einde van de vierde eeuw, met de eerste geslagen bronzen munten. Schulden zouden dan kunnen leiden tot een vorm van lijfeigenschap, die de Latijnen nexum noemden, wat 'schuldslavernij' is. De insolvente schuldenaar werd veroordeeld en toegekend aan zijn schuldeiser, om op zijn land te werken. Hij kon niet worden verkocht, hij was geen slavenhandel, hij bleef binnen het grondgebied van de stad (in tegenstelling tot de slavenhandel, die in zijn eigen regio bijna nooit een slaaf was) en werd nog steeds als burger beschouwd, maar hij had zijn vrijheid. Deze schuldslavernij, die vooral in de vierde eeuw voor Christus voor veel maatschappelijke onrust zorgde. werd uiteindelijk in 326 bij wet afgeschaft voor Romeinse burgers.


Het einde van de vierde eeuw voor Christus. werd gekenmerkt door een sterke maatschappelijke reactie tegen de schuldenlast, maar als de schuldslavernij daarna nooit werd hersteld voor Romeinse burgers, duurde de afschaffing van renteleningen niet lang en werd ze nooit meer afgeschaft. In de daaropvolgende eeuwen deden zich hevige particuliere schuldencrises voor, in Italië en in de gehele Romeinse overheersing. Dankzij de werken van Cicero en andere auteurs zijn we des te beter op de hoogte van de uitbarstingen van de uitbarsting in het zuiden van Midden-Italië in de eerste eeuw voor Christus. Deze Italiaanse crises waren van bijzonder belang vanwege het belang van Rome zelf, zijn elites en de handel die zijn bevoorrading garandeerde. Dit gebeurde echter niet noodzakelijk overal rond de Middellandse Zee en ook niet tegelijkertijd. Er was een schuldencrisis in Rome en Midden-Italië in 192 – 193 v.Chr. Cato had een gelijkaardige crisis te beheren op Sardinië toen hij gouverneur was in 198 v.Chr. [4] . Een andere vond plaats in Etolie en Thessalië in 173 v. Chr. De gouverneur van de provincie, Claudius Pulcher, paste schuldverlichting, herstructurering van terugbetalingen, jaarlijkse aflossing en andere maatregelen toe. [5]

Persoonlijke schulden kunnen twee oorzaken hebben. Onbetaalde bedragen of uitstaande leningen. In het eerste geval had de debiteur niet geleend, maar een verschuldigd bedrag, zoals belastingen, niet betaald, wat vaak het geval was. Fiscale crises en protesten tegen belastingen waren niet ongewoon, vooral buiten Italië. In feite was Italië vanaf 167 v.Chr. praktisch vrijgesteld van wat we zouden noemen 'directe belastingen'8217. Belastingproblemen kwamen aan het begin van de regering van Tibere, eerst in Achaia en Macedonië (15), daarna in Judea en Syrië (17) [6] . Als antwoord op deze moeilijkheden schreven keizers af en toe achterstallige belastingen af. Dit werd in de 2e eeuw gedaan door Hadrianus, daarna door Marcus Aurelius [7]. We zullen zien dat de Romeinse regering zeer vijandig stond tegenover het uitwissen van schulden tussen personen, maar soms achterstallige belastingen uitwist.


Het is niet eenvoudig om de oorzaken van elke schuldencrisis te identificeren, maar ze waren duidelijk niet allemaal zo ernstig als in deze voorbeelden. Lenen tegen rente werd in veel omstandigheden op grote schaal toegepast, in contanten of in natura (bijvoorbeeld graanleningen). We weten heel weinig over de kredietverlening in natura en het is onmogelijk te zeggen hoeveel er is gebeurd. In Egypte, waar papyrusdocumenten meer informatie verschaffen dan elders, was het niet overheersend. Niettemin was er zeker een chronische schuldenlast onder de armen (arbeiders, boeren en pachters, verschillende professionals onder de stadsplebians, enz.). Schuldencrises ontstaan ​​wanneer dit soort volksschulden ernstig wordt, en wanneer een deel van de elite (zoals senatoren, ridders en lokale hoogwaardigheidsbekleders) ook schulden heeft. Leden van de elite waren gewend te lenen en anderen waren gewend om te lenen, terwijl anderen nog steeds leenden en leenden tegelijkertijd. Als debiteuren leden van de elite niet langer konden terugbetalen, stortte de financiële kracht van de elite in en schuldencrises zouden ernstige sociale en politieke gevolgen kunnen hebben. Dergelijke omstandigheden kunnen verschillende oorzaken hebben: slechte oogsten, die ontberingen veroorzaakten voor iedereen die leefde van de landbouw politieke of militaire spanningen, verminderde geldhoeveelheid, die moeilijkheden veroorzaakte bij het verkrijgen van het geld dat nodig was voor het doen van betalingen en resulterend in hogere rentetarieven Rentetarieven Wanneer A leent geld aan B, B betaalt het door A geleende bedrag (het kapitaal) terug, evenals een aanvullend bedrag dat rente wordt genoemd, zodat A er belang bij heeft in te stemmen met deze financiële operatie. De rente wordt bepaald door de rente, die hoog of laag kan zijn. Om een ​​heel eenvoudig voorbeeld te nemen: als A gedurende 10 jaar 100 miljoen dollar leent tegen een vaste rente van 5%, dan zal hij het eerste jaar een tiende van het oorspronkelijk geleende kapitaal (10 miljoen dollar) plus 5% van het verschuldigde kapitaal terugbetalen , dus 5 miljoen dollar, dat is in totaal 15 miljoen dollar. In het tweede jaar zal hij opnieuw 10% van het geleende kapitaal terugbetalen, maar de 5% geldt nu alleen voor de resterende 90 miljoen dollar die nog moet worden betaald, ofwel 4,5 miljoen dollar, ofwel in totaal 14,5 miljoen dollar. En zo verder, tot het tiende jaar waarin hij de laatste 10 miljoen dollar zal terugbetalen, plus 5% van die resterende 10 miljoen dollar, d.w.z. 0,5 miljoen dollar, dus in totaal 10,5 miljoen dollar. Over 10 jaar zal het totaal terugbetaalde bedrag uitkomen op 127,5 miljoen dollar. De terugbetaling van het kapitaal gebeurt meestal niet in gelijke termijnen. In de beginjaren betreft de aflossing vooral de rente en neemt het aandeel afgelost kapitaal in de loop van de jaren toe. In dit geval, als de terugbetalingen worden stopgezet, is het nog verschuldigde kapitaal hoger...

Vanaf het begin van de eerste eeuw voor Christus tot het einde van de eerste eeuw Comon Era. Er waren vier grote schulden- en aflossingscrises in Italië. De eerste tussen 91 en 81 v. Chr., daarna nog een rond 60 v. Chr., wat aanleiding gaf tot de 'Bezwering van Catalina' '187, een derde van 49 tot 46 v. Chr. tijdens de burgeroorlog tussen Caesar en Pompeii en de Pompeiiens. Er was er nog een in 33 [8] .


De crisis van 91-81 voor Christus lijkt de ergste te zijn geweest en moet apart worden beschouwd. Er waren drie hevige oorlogen (de 'Sociale' oorlog tussen Rome en zijn Italiaanse bondgenoten, de burgeroorlog tussen de troepen van Marius en die van Sulla en de oorlog tegen Mithridates, die in 88 tienduizenden Romeinen en Italianen in het oostelijke Middellandse Zeegebied), een explosie van schulden en monetaire en fiscale problemen. De heersende verwarring in de geldcirculatie en sociale spanningen als gevolg van schulden, brachten de Romeinse magistraat in 86 voor Christus ertoe een kwart van de bestaande schulden te herstructureren. en de rest af te schaffen. Dit is de enige keer in de geschiedenis van Rome dat zo'n groot deel van de schuld werd afgeschaft. Rome zou nooit een totale schuldafschaffing doorvoeren [9] .


De samenzwering van Catalina duurde anderhalf jaar, van het midden van 64 tot het begin van 62 v. Het is interessant omdat het evenement rijkelijk gedocumenteerd is. Sallust wijdde inderdaad een historisch verdrag aan Catalina. Cicero, die in 63 voor Christus tegen de samenzweerders vocht terwijl hij consul was. (In Rome was het consulaat de hoogste gerechtelijke autoriteit, het werd elk jaar door twee senatoren bezet), schreef vier toespraken tegen hem (de '8217Catiline oraties'8217). Het is ook interessant omdat het niet voorkomt in de context van een burgeroorlog, en de overgebleven teksten vertellen ons de argumenten van de samenzweerders die schulden hebben, en die van Cicero. Die, zonder zelf een groot geldschieter te zijn, in principe dichter bij de positie van de crediteuren stond dan die van de debiteuren.

Hij bleef aandringen op de extreme ernst van het complot, op het moment dat het plaatsvond en beweerde daarna dat de samenzweerders de volledige vernietiging van de Romeinse staat wilden. Dit was zeker overdreven, in de vier oraties die hij uitsprak op het moment van de gebeurtenissen, heeft Cicero de situatie zwaar gedramatiseerd om meningen te beïnvloeden. Daarna werd de onderdrukking van het complot zijn voornaamste glorie. Sallust, geen bondgenoot van Cicero, drong ook aan op de ernst van de gebeurtenissen die hij de ''8217bellum Catilinarium'8217 de Catilijnse oorlog [10] .


Hoewel het zeker minder bloederig was dan de burgeroorlogen van de jaren 80 voor Christus. Het leidde wel tot de executie van vijf belangrijke persoonlijkheden, waaronder een voormalige consul die in 63 het praetorschap bekleedde, Publius Cornelius Lentulus, en een paar duizend (tussen 3000 en 10000?) Catiliniens werden in Pistoia aan het begin van 62 voor Christus. Het was zoveel dramatischer dan de monetaire crisis van 33 CE. die zonder bloedvergieten plaatsvond.


Het is onmogelijk om hier in detail alles te vertellen wat we weten over de politieke evolutie van het complot. De leider, Catalina, was van een zeer oude familie, senator en voormalig fervent aanhanger van Sulla in de jaren 80. Hij was twee keer, in 62 en 63 voor Christus, mislukt als kandidaat bij consulaire verkiezingen, onder zijn aanhangers was er een groep senatoren en verschillende belangrijke persoonlijkheden [11]. Het gerucht ging bijvoorbeeld dat de beroemde Crassus hem discreet steunde (Crassus en Pompeius waren in die tijd de twee meest invloedrijke politici van Rome, en ze waren natuurlijk rivalen Caesar had niet de invloed die hij drie of vier jaar had bereikt) later, op 36-jarige leeftijd was hij een rijzende ster).

Als we Sallustius moeten geloven, benadrukte Catalina, samen met deze groep overtuigde partizanen, het contrast tussen hun eigen armoede en schulden enerzijds, en anderzijds de rijkdom en arrogantie van de machthebbers die hun politieke positie misbruikten om passend geld betaald door buitenlandse vorsten als eerbetoon of door immigranten uit Rome in belastingen [12] . Hij beloofde hen tabulae novae, wat de afschaffing van schulden betekent. Tegelijkertijd sprak hij al met hen over het grijpen van de macht, het verbannen van tegenstanders en de buit die uit de oorlog te halen was.

Er is enige onenigheid over de betekenis van tabulae novae, een uitdrukking die letterlijk duidt op de oprichting van nieuwe financiële registers of nieuwe erkenning van schulden [13]. Het is een slogan die verwijst naar de volledige afschaffing van schulden die voortvloeien uit geldleningen. Deze slogan, die erg populair was onder het gewone volk van Rome, stuitte duidelijk op veel vijandigheid van geldschieters en alle schuldeisers. De afschaffing van schulden zou kunnen worden bereikt door een wet aan te nemen. Als Catalina was gekozen en deze wet had aangenomen, zou ze dan ook het uitlenen van geld met rente voor de toekomst hebben verboden? We weten het niet, het is onzeker. Het afschaffen van schulden is één ding, het verbod op uitlenen met rente is iets heel anders. Maar, zoals ik al zei, deze tabulae novae zijn nooit in Rome ingevoerd om alle schulden af ​​te schaffen. We hebben echter gezien dat in 86 v.Chr. driekwart van de schulden was afgeschaft, wat neerkomt op een bijna totale afschaffing.

In 64 v.Chr. had een deel van de stedelijke arbeidersklasse van Rome (met andere woorden, de vrije mensen van de stad, deels bestaande uit min of meer parasitaire klanten uit grote families, maar ook uit kleine winkeliers, arbeiders en ambachtslieden) zwaar in de schulden . Er braken problemen uit. Arbeidersverenigingen moesten worden opgeheven en predikers langs de weg werden verboden. Na het verliezen van de verkiezingen, in oktober 63, wendde Catalina zich tot gewelddadige maatregelen. Er gingen geruchten dat hij van plan was de consul Cicero te vermoorden en de stad Rome in brand te steken. Cicero en Sallustius vertellen ons dat de samenzweerders verschillende aanhangers hadden:

► onder de arbeidersklasse van Rome

► onder de jongeren uit de senatoriale elite. Deze 'jongeren' stonden wettelijk onder toezicht van hun ouders, maar als groep had deze vergulde jeugd invloed en droeg bij aan de verhitte sfeer in de stad. Dat was de spanning die Appian vertelt over de zaak van een 'jonge' senator die door zijn vader werd vermoord omdat hij de samenzwering steunde.

► en bovendien onder Sulla's “kolonialisten'8221.

In 82-79 voor Christus, na zijn overwinning in de burgeroorlog, vestigde Sulla een aanzienlijk aantal van zijn vorige soldaten en veteranen in het gebied. Appian citeert het enorme aantal van 120.000 eerdere soldaten die op deze manier zijn geïnstalleerd. Over het algemeen wordt aangenomen dat het 23 legioenen zijn, met andere woorden, tussen 80.000 en 100.000 man. Dit is op zich een zeer groot totaal, als men bedenkt dat in de volkstelling die in 70 v.Chr. werd gehouden het totale aantal volwassen mannelijke Romeinse burgers ongeveer 900.000 bedroeg. Dit betekent dat 10% van de Romeinse burgers land van Sulla had gekregen dat als gevolg van de burgeroorlog was geconfisqueerd van de vorige eigenaren. Sommige van deze individuele distributies van '8220kolonies' en Sulla's 8217 bevonden zich in de buurt van Rome, andere in Etruria (voornamelijk in Arezzo en Fiesole) of in Campania (bijvoorbeeld in Pompei). Aangezien Catalina een oude aanhanger van Sulla's8217 was, schaarden velen zich om hem heen (met name die uit Toscane, Arezzo en Fiesole).

Het is onmogelijk om hier in detail alles te vertellen wat we weten over de ontwikkeling van de samenzwering. De consul Cicero riep de noodtoestand uit (het “final senatus-consultum'8221) en bracht hem ertoe de stad Rome te verlaten om zijn strijd tegen Catalina te verbeteren. Catalina voegde zich bij zijn opstandige partizanen in Toscane (op 8 november) en werd door de Senaat uitgeroepen tot staatsvijand. Cicero liet vijf hoofden van Catalina arresteren, waaronder de geldschieter Lentulus, die op 3 december werd ontslagen. De executie van zulke prominente Romeinse burgers krachtens de noodtoestand was geen uitgemaakte zaak en Cesar deed bijvoorbeeld een beroep op de Senaat tegen de doodstraf (hij raadde aan ze onder toezicht te houden en te veroordelen na de volledige nederlaag van Catalina & #8217s troepen). Ze werden niettemin ter dood veroordeeld en de vijf gevangenen werden op 5 december 63 geëxecuteerd. Verder werden Catalina en zijn partizanen in de tweede helft van januari 62 in Pistoia, Toscane, door het reguliere leger verslagen en gedood. Dit betekende het einde van de & #8220samenzwering.”

De geldcirculatie na de schuldencrisis en de politieke situatie leken te zijn bevroren [14] . Het was wat in het Latijn inopia mummorum werd genoemd, een tekort aan munten. Zich bewust van de situatie verbood Cicero het transport van edele metalen (goud en zilver) buiten Italië en mogelijk zelfs het transport van de ene provincie naar de andere [15].

De oorsprong van deze opstandige beweging ligt in het feit dat verschillende sociale groepen in de schulden raakten: de voormalige soldaten van Sulla die kleine of middelgrote grondbezitters waren geworden, de arbeidersklasse van Rome (winkeliers, ambachtslieden, enz.) en een deel van de senatoriale elite . In een passage, die ik hieronder citeer en die dateert van 44-43, herhaalt Cicero dat er in Italië nog nooit zoveel schulden zijn geweest als tijdens zijn consulaat. Herhaaldelijk koppelt hij het bestaan ​​van het complot aan de schuldencrisis. Toen Catalina bijvoorbeeld Rome verliet, riep hij uit: 'Maar wat voor mannen heeft hij achtergelaten! En wat een schulden hebben ze! En welke invloed! En welke namen!” [16] .

De grote schuldencrises zoals die van 64-63 lijken zich telkens voor te doen als de senatoriale elite, of in ieder geval een deel ervan, ook in de schulden raakt. De stedelijke arbeidersklasse en een bepaald aantal arme of bescheiden boeren hadden hoogstwaarschijnlijk chronisch schulden, maar deze schuldenlast werd pas politiek dramatisch toen de elite ook in de schulden raakte. De senatoren die schulden hadden, hadden activa die bestonden uit land, vee, slaven, huizen en waardevolle voorwerpen en, tenzij ze een fractie van deze activa zouden verkopen, zouden ze hun schuldeisers niet kunnen terugbetalen. In 63 konden sommigen van hen, waaronder Catalina, niet de beslissing nemen om hun landgoed te splitsen, ze weigerden zelfs om politieke redenen omdat hun waardigheid en hun rang op hun landgoederen waren gebaseerd [17] . Sallustius citeert Catalina die de volgende zinnen heeft gezegd, die hij in een brief zou hebben geschreven (maar, zoals we weten, herschreven oude historici de brieven en toespraken die ze aan de helden van hun werken toeschreven).

"Gezien de onmogelijkheid om mijn rang te behouden, heb ik, zoals mijn gewoonte is, publiekelijk de verdediging op zich genomen van de meest ongelukkigen, niet omdat ik niet in staat ben mijn persoonlijke schulden terug te betalen door mijn activa te verkopen (en, voor zover de schulden van anderen gaan, heeft de vrijgevigheid van Aurelia Orestilla [de vrouw van Catalina] haar middelen en die van haar dochter tot mijn beschikking gesteld met het doel mijn schulden te vereffenen) maar ik zag mannen die er geen recht op hadden met eer overladen, terwijl ik me buitengesloten voelde en bloot stond aan onterechte achterdocht. Het is in dit opzicht dat ik hoop heb gewekt en het ontwerp heb gevormd, dat mijn situatie meer dan rechtvaardigt, om te redden wat er nog van mijn waardigheid over is.'8221 [18] .

Wat betreft de rijken met schulden die bereid waren te verkopen, op het moment dat ze dat probeerden, daalde de grondprijs [19] .

Op individueel niveau kunnen de schulden van de senatoren soms worden verklaard door hun beroepsrisico's. De positie van een senator in de elite werd deels bepaald door verkiezingen waarbij de 'adel' van de familie zeker telde, maar samen met andere factoren. Als een patriciër als Catalina de rechtszaal of consulaire verkiezingen verloor, verloor hij ook de kans om toegang te krijgen tot hun fondsen en een fortuin terug te verdienen dat was vervallen door zijn carrièredebuut.

Catalina en zijn aanhangers eisten een afschaffing van alle schulden, een eis die de consul Cicero en de meerderheid van zijn senatoren weigerden. Jaren later, in het verdrag van plichten (officieel) geschreven in 44-43, rechtvaardigt Cicero nogmaals de radicale aard van zijn beleid met betrekking tot schulden:

“Wat betekent het aanleggen van nieuwe schuldrekeningen anders dan dat je een stuk grond koopt met mijn geld, dat jij de eigenaar bent en dat ik mijn geld niet heb? Daarom moet je ervoor zorgen dat er geen schulden zijn die de Staat schaden. Het kan op veel manieren worden vermeden, maar als er schulden zijn, mogen deze niet zodanig zijn dat de rijken hun bezittingen verliezen en de schuldenaars de bezittingen van anderen verwerven. Niets houdt de staat namelijk efficiënter in stand dan goede trouw (fides), die niet kan bestaan ​​als er geen noodzaak is om zijn schulden te betalen. Nooit heeft iemand heftiger gehandeld om ze niet te betalen dan onder mijn consulaat. Het is geprobeerd door mannen van alle rangen, mannen die gewapend waren en die kampen hadden opgezet. Maar mijn weerstand was zo groot dat dit kwaad uit de staat werd geëlimineerd (de re publica) geheel” [20] .

Laten we verder gaan met de kolonies van Sulla. Het was traditioneel om vanuit herverdeeld land steden te stichten die bekend stonden als kolonies en die werden bewoond door de armen, bijvoorbeeld in de stad Rome. Het was niet de eerste keer dat eerdere semi-professionele of praktisch-professionele soldaten land kregen. Deze verdelingen hadden vaak, maar niet altijd, positieve resultaten. In het geval van Sulla was het een mislukking. Waarom? Het is niet gemakkelijk uit te leggen, maar een van de redenen is ongetwijfeld dat het verdeelde land na een burgeroorlog in beslag was genomen van de vorige eigenaren [21]. De oprichting van een kolonie van deze aard was een traumatiserende gebeurtenis voor het sociale weefsel van een regio (vooral wanneer het plaatsvond aan het einde van een burgeroorlog en wanneer de regio in kwestie niet traditioneel Latijn was en een eigen cultuur en een eigen taal had , zoals het geval was met Etrurië of de Oskische steden van de Golf van Napels)!

Ondanks dat ze de begunstigden waren van deze percelen (waarvan we de exacte hoeveelheid niet weten, in het geval van de kolonisatie van Sulla's 8217), waren de veteranen niet erg rijk. Het schuldenprobleem was voor hen niet hetzelfde als voor Catalina of Lentulus. Sallustius voegde in zijn verslag een brief toe die hij toeschrijft aan Caius Manlius, een centurio die het bevel voerde over de Catalanen in Toscane [22]. Het gaat niet om een ​​landgoed dat men zou kunnen verkopen, maar een dat men niet wil verkopen! Manlius dringt erop aan dat het landgoed al volledig verloren is, samen met zijn reputatie, en dat ze proberen om, indien mogelijk, hun persoonlijke vrijheid te redden. Uit de tekst blijkt dat hoewel de (definitieve en wettelijke) dienstbaarheid voor schulden in Italië was afgeschaft, althans voor Romeinse burgers, dwangarbeid voor het terugbetalen van schulden op tijdelijke basis nog steeds bestond, totdat het uitgevoerde werk het bedrag had gecompenseerd van geld verschuldigd. Was het gebruikelijk om deze procedure toe te passen? Of hing het af van de persoonlijkheid van de geldschieter (een magistraat wiens wreedheid door Manlius werd aangeklaagd)? We weten het niet. In ieder geval bestond de mogelijkheid van dergelijke dwangarbeid, opgevat als een schending van de vrijheid, legaal, ook al moest het niet volledig worden verward met slavernij.

De oude schrijvers zijn zich ervan bewust dat tijdens crises, en vooral bij schuldencrises, factoren buiten de macht van de agenten een rol kunnen spelen, die, naar onze mening, economisch zijn. Ze zijn zich er bijvoorbeeld volledig van bewust dat slechte landbouwoogsten de graanprijs kunnen beïnvloeden en daardoor een schuldencrisis kunnen veroorzaken. De economische oorzaken van dergelijke crises die zij het vaakst noemen, zijn ofwel slechte oogsten, ofwel vernietiging veroorzaakt door oorlogen (buitenlandse of civiele), evenals de moedeloosheid en angst die ze veroorzaken, of factoren die verband houden met het financiële gedrag van bepaalde sociale groepen.

Schadelijk financieel gedrag kan dat zijn van individuen die hun zaken slecht hebben beheerd [23]. Het kan ook dat van sociale groepen zijn die hun antwoorden niet op de juiste manier hebben aangepast in termen van het beheer van hun vermogen. Dus, volgens Cicero, die land had gekregen en zich bedwelmd voelde door hun overwinning in de burgeroorlog, wilden de vorige soldaten van Sulla spelen als grootschalige boeren door grote constructies uit te voeren en grote aantallen slaven te kopen. Deze onbekende uitbuiting op het platteland dreef hen dus in de schulden en de enige mogelijke uitweg was zich bij de samenzwering aan te sluiten [24].

De ouden die over de samenzwering hebben geschreven, zoals Cicero, Sallustius en Appian, hebben de politieke oorzaken van deze crisis oneindig veel meer benadrukt dan de 'economische' factoren. Ze hebben aangedrongen op het idee dat de oorzaken van de schuld te vinden zijn in het politieke klimaat en het beheer van publiek geld. De nadruk ligt op de problemen van één sector van de elite, en deze problemen worden meestal toegeschreven aan het abnormale en oneerlijke beheer van staatsmiddelen. Tijdens de geheime ontmoeting met zijn aanhangers in 64 veroordeelt Catalina niet in het minst een situatie die de verkoop van wijn, olie of vee, geproduceerd in het domein van degenen met schulden, in gevaar zou hebben gebracht, maar het grijpen van staatsrijkdommen door een kleine kliek , met uitsluiting van de rest van de legitieme elite van de stad.

Het is ook moeilijk te begrijpen waarom de schuldencrisis in de jaren 64 en 63 zo escaleerde in plaats van enkele jaren ervoor of erna. Er is vaak gedacht dat het slaan van de munt door de staat de schuld was en dat de staat in de jaren 60 de gevolgen van onvoldoende munt slaan gedurende meerdere decennia onderwierp. Het is niet eenvoudig om te weten hoeveel munten er elk jaar ongeveer in omloop waren, daar is veel discussie over onder numismatici. Aan de andere kant weten we niet hoeveel munten de staat heeft omgesmolten en geremineerd voordat ze weer in omloop werden gebracht. Sommigen menen dat de Staat ze allemaal heeft herinnerd, maar dat is niet waarschijnlijk. Als alles is gezegd en gedaan, is het geenszins zeker dat het aantal uitgegeven zilveren munten in de jaren '70 en '60 voor Christus is afgenomen. Rest ons nog de kwestie van de mogelijke inkrimping van de praktisch beschikbare geldvoorraad te overwegen, en in het bijzonder de kwestie van de saurisatie. De verlaging van de grondprijs, de schuldenproblemen, de politieke problemen, zorgden ervoor dat sommige mensen hun geld thuis hielden, ook al waren ze in staat om hun schulden en hun huur te betalen. Het is veelbetekenend dat Cesar in 49 iedereen verbood meer dan 60.000 sestertia in contanten te houden [25] .

In normale tijden greep de publieke macht heel weinig in particuliere financiële aangelegenheden, tenzij via de gebruikelijke functies van justitie en om een ​​rentelimiet vast te stellen. Gezien het ontbreken van een bureau voor het registreren van contracten was er in Italië ongetwijfeld geen manier om de details van alle gemaakte schulden te kennen. Maar de schulden- of betalingscrises die Rome en het centrale meridionale Italië troffen, kwamen vrij vaak voor en wanneer ze zich voordeden, was het noodzakelijk om in te grijpen om zeer ernstige sociale en politieke problemen te voorkomen. Over welke handelingsmiddelen beschikte de Staat? Laten we, om het te vereenvoudigen, zeggen dat het er vijf had. Al deze middelen werden ooit gebruikt en bestonden uit verschillende politieke opties:

1) de pure en eenvoudige weigering van elke vorm van schuldaanpassing, samen met de onderdrukking van mogelijke opstanden (dit was Cicero's standpunt in 63 v.Chr.)

2) verschillende maatregelen om de schuldbetaling te vergemakkelijken zonder kapitaal of rente af te schaffen: bijvoorbeeld de niet-retroactieve verlaging van de rente en de herschikking van de vervaldata van de schulden, zoals werd uitgevoerd, volgens Tite-Live, in 348-347 v.Chr. [26]

3) betaling van openbare middelen als giften, leningen of leningen met verlaagde rente (zoals uitgevoerd door Tiberius in 33.)

4) De toekenning aan schuldeisers van bepaalde activa van de debiteuren, of de openbare organisatie van de verkoop van nalatenschappen. De eerste van deze twee maatregelen, die Cesar tussen 49 en 46 nam, was mogelijk gunstiger voor de debiteuren dan de tweede, omdat de vermenigvuldiging van verkopen met biedingen leidde tot een verlaging van de grondprijs en dus de debiteuren veroordeelde tot verkopen hun activa tegen een zeer lage prijs. César zelf schreef dat hij tijdens de crisis van 49-46 probeerde tegelijkertijd de angst voor een algemene kwijtschelding van schulden weg te nemen of te verminderen, bijna voortdurend na oorlogen of burgerlijke onlusten, en aan de andere kant om de reputatie van de debiteuren behouden'8221 [27] .

5) De gedeeltelijke of volledige afschaffing van rente of vreemd vermogen (in Rome werd nooit besloten tot volledige afschaffing van schulden, maar er waren renteverlagingen en gedeeltelijke afschaffing, waarvan de meest prominente in 86 voor Christus was).

De financiële maatregelen van algemene strekking die in tijden van crisis werden genomen, werden slechts zeer tijdelijk afgedwongen. Toen Cesar besloot, om de betalingscrisis die in 49 toesloeg te verhelpen, dat niemand meer dan 60.000 sestertia in contanten mocht houden, benadrukte hij dat deze wet niet nieuw was, maar herhaalde hij een andere wet die al van kracht was [28]. Na de crisis van 33 voerde Tiberius zelf een van Cesars wetten weer in werking, die nooit was afgeschaft maar lange tijd in onbruik was geraakt omdat, schrijft Tacitus, het privébelang voor het algemeen belang gaat [29]. En uit laksheid werden de maatregelen van de senaat in 33 n.Chr. voor een zeer korte tijd gehandhaafd. Dit is een van de redenen die het ontstaan ​​van nieuwe schuldencrises enkele jaren of tientallen jaren later verklaart.

Andreau 1980 : J. Andreau, « Pompéi : mais où sont les vétérans de Sylla ? », Revue des Etudes anciennes, 82, p. 183-199.

Andreau 2001 : J. Andreau, Banque et affaires dans le monde romain (IVe siècle av. J.-C.-IIIe siècle ap. J.-C.), Paris, Seuil, Collection Points Histoire.

Andreau 2006 : J. Andreau, « Existait-il une Dette publique dans l’Antiquité romaine ? », in J. Andreau, G. Béaur & J.-Y. Grenier (dir.), La Dette publique dans l'8217Histoire, Journ's du Centre de Recherches Historiques (26-28 november 2001), Paris, Comit'233 pour l'8217Histoire économique et financiële'232re de la France ( KOEF), blz. 101-114.

Frederiksen 1966: MW Frederiksen, « Caesar, Cicero and the Problem of Debt », Journal of Roman Studies, 56, p. 128-141.

Hinard 1985a : Fr. Hinard, Les proscriptions de la Rome républicaine, Rome, Ecole Française de Rome.

Hinard 1985b : Fr. Hinard, Sylla, Parijs, Fayard.

Ioannatou 2006 : M. Ioannatou, Affaires d'8217argent dans la correspondance de Cic'233ron, L'8217Aristocratie s'233natorial face à ses dettes, Parijs, De Boccard.

Lo Cascio 1979 : E. Lo Cascio, “Carbone, Druso e Gratidiano : de gestione della res nummaria a Roma tra la Lex Papiria e la Lex Cornelia », Athenaeum, 57, p. 215-238.

Migeotte 1984: L.Migeotte, L'8217Emprunt public dans les cit's grecques, Qu'233bec-Paris, Editions du Sphinx & Belles Lettres.

Nicolet 1971 : Kl. Nicolet, « Les variaties des prix et la ‘théorie kwantitatieve de la monnaie’ à Rome, de Cicéron à Pline l’Ancien », Annales Economies, Sociétés , Beschavingen, 26, p. 1202-1227.

Tchernia 2011 : A. Tchernia, Les Romains et le commerce, Napels, Centre Jean B'233rard.

Het CADTM publiceert een reeks artikelen over schuldafschaffing, activisme voor afschaffing, de rol van schuld in politieke, sociale en geostrategische conflicten door de geschiedenis heen. Verschillende auteurs hebben bijgedragen aan de serie. Het eerste artikel, door Eric Toussaint, The Long tradition of debt abolition in Mesopetamia and Egypt from 3000 to 1000 BC, werd op 2 september 2012 gepubliceerd. http://cadtm.org/http://cadtm.org/T. Het tweede artikel in de serie Isabele Ponet, Schuldkwijtschelding in het land Kanaän in het eerste millennium voor Christus http://cadtm.org/Debt-cancellation-in-the-land-of

Jean Andreau is emeritus Director of Studies aan de École des Hautes Etudes in Social Sciences, Parijs.

Vertaling: Mike Krolikowski en Ümit Hussein

Voetnoten

[3] Stilzwijgend, Annales, 6.16.1 (De geciteerde Franse vertalingen zijn afkomstig uit de collecties van Franse universiteiten gepubliceerd door ’des Belles Lettres ’ Ik pas ze soms aan ter wille van de duidelijkheid)

[4] Livius, Romeinse geschiedenis, 32.27.3-4.

[5] Livius, Romeinse geschiedenis 42.5.7-10.

[6] Tacitus, Annalen, 1.76.4 en 2.42.8

[7] Histoire Auguste, Hadrien, 7 Dion Cassius, 72.32.

[8] Over deze crisis van 33 CE. zie Andreau 2001, 192-193 en 196 en Tchernia 2011.

[10] Sallust,Het Catalaanse plot, 4.4

[11] Sallust, Catilina, 17 over Catilina en zijn aanhangers, zie Ioannatou 2006, passim.

[13] Aan tabulae novae, zie Ioannatou 2006, p. 72-85.

[14] Zie Nicolet 1971, p. 1221-1225.

[15] Cicéron, in Vatinium, 12 en pro Flacco, 67.

[16] Cicéron, Deuxième Catilinaire, 4.

[21] Hinard 1985a en 1985b en Andreau 1980.

[23] Cicéron, Deuxième Catilinaire, 21.

[24] Cicéron, Deuxième Catilinaire, 20.

[26] Tite-Live, Histoire romaine, 7.27.3-4.

[27] César, Guerre Civile, 3.1.1-4 zie Frederiksen 1966 en Ioannatou 2006.


Romeinse tijdlijn van gebeurtenissen - Inhoudsopgave

Muurkaart van het Romeinse Rijk
$ 59,99 incl. Verzending

De Twaalf Tafels zijn de eerste poging om een ​​wetboek te maken en bleven de enige poging gedurende bijna duizend jaar.

Typisch, Romeinse gevangenissen werden niet gebruikt om criminelen te straffen, maar dienden in plaats daarvan alleen om mensen vast te houden in afwachting van hun proces of executie.

De Tribune van de Plebes (tribunus plebis) was een magistratuur opgericht in 494 voor Christus. Het werd opgericht om de mensen te voorzien van een directe vertegenwoordigende magistraat.

Een kopie van de daden van de vergoddelijkte Augustus waarmee hij de hele wereld onder de soevereiniteit van het Romeinse volk plaatste.

Dit boek onthult hoe een rijk dat zich uitstrekte van Glasgow tot Aswan in Egypte, vanuit één enkele stad kon worden geregeerd en toch meer dan duizend jaar kon overleven.

Deze tweede editie bevat een nieuwe inleiding waarin wordt ingegaan op de gevolgen voor de regering en de regerende klassen van de vervanging van de Republiek door de heerschappij van keizers.

Tijdens de periode ontmoette de regering van het Romeinse rijk de meest langdurige crisis van zijn geschiedenis en overleefde. Deze tekst is een vroege poging tot een alomvattende studie van de oorsprong en evoluties van deze transformatie in de antieke wereld.

Zwaarden tegen de Senaat beschrijft de eerste drie decennia van Rome's eeuwenlange burgeroorlog die het transformeerde van een republiek tot een keizerlijke autocratie, van het Rome van burgerleiders tot het Rome van decadente keizerlijke misdadigers.

De eerste keizer van Rome, Augustus, de geadopteerde zoon van Julius Caesar, heeft waarschijnlijk het meest blijvende effect gehad op de geschiedenis van alle heersers van de klassieke wereld. Dit boek richt zich op zijn opkomst aan de macht en op de manieren waarop hij gedurende zijn regeerperiode gezag handhaafde.


Centurie Stemming Vergadering

De centuriae kan ook zijn gestart door de 6e koning of hij kan ze hebben geërfd en vergroot. De Servische centuriën omvatten ongeveer 170 centuriae van voetvolk (infanterie of pedites), 12 of 18 ruiters, en een paar anderen. Hoeveel rijkdom had een familie bepaald welke volkstellingsklasse en dus? centuria zijn mannen passen erin.

De rijkste infanterieklasse had bijna een meerderheid van de centuriae en mochten ook vroeg stemmen, net nadat de cavalerie wiens eerste positie in de metaforische stemlijn hen het label opleverde praerogativae. (Van dit gebruik krijgen we het Engelse woord 'prerogative'.) (Hall zegt dat later, nadat het systeem was hervormd, de eerste [door loting geselecteerd] centuria stemmen had de titel van centuria praerogativa.) Mochten de stemmen van de rijkste (infanterie) eerste klasse en die van de cavalerie unaniem zijn, dan was er geen reden om naar de tweede klasse te gaan voor hun stem.

De stemming was door centuria in een van de assemblages, de comitia centuriata. Lily Ross Taylor denkt dat de leden van een gegeven zijn centuria waren van verschillende stammen. Dit proces veranderde in de loop van de tijd, maar men denkt dat dit de manier was waarop de stemming werkte toen de Servische hervormingen werden ingevoerd.


10 meest beslissende oude veldslagen

Iedereen houdt van een goed verhaal over veldslagen en bloed & ndash, wat duidelijk blijkt uit de overvloed aan films en filmscènes die daarop zijn gebaseerd. In deze lijst kijken we niet alleen naar grote veldslagen op basis van aantallen of doden, maar naar veldslagen die strategisch belangrijk waren of de methoden van oorlogvoering veranderden. Deze lijst bevat alleen veldslagen van vóór de tijd van Christus. Latere gevechten zullen het onderwerp zijn van een toekomstige lijst. Ik heb over het algemeen vermeden de feitelijke gebeurtenissen van de veldslagen te beschrijven om de algehele historische impact te presenteren. Je kunt de &ldquosource&rdquo-links gebruiken om meer te lezen over elk gevecht. Deze lijst bevat een wedstrijd &ndash lees meer onderaan de lijst.

De slag bij Carrhae in 53 v.Chr. was een beslissende overwinning voor de Parthische Spahbod Surena (probeer dat maar eens 10 keer snel te zeggen!) op de Romeinse generaal Crassus in de buurt van de stad Carrhae (nu de huidige ruïnes van Harran, Turkije). Een Parthische strijdmacht van 1.000 catafrakten en 9.000 boogschutters onder leiding van generaal Surena ontmoette de Romeinen bij Carrhae. De cavalerie van Crassus schermde zich af voor de hoofdmacht toen ze werden aangevallen door de cataphracten, en de wapens die zijn cavalerie gebruikte waren niet in staat het pantser van de catafracten te doorboren. Zijn cavalerie werd al snel omsingeld en op de vlucht gejaagd, en zijn zoon Publius werd gedood. Rome werd vernederd door deze nederlaag, en dit werd nog erger door het feit dat de Parthen verschillende Legionary Eagles hadden gevangen. Plutarchus vermeldt ook dat de Parthen de Romeinse krijgsgevangene vonden die het meest op Crassus leek, hem als een vrouw kleedden en hem door Parthia paradeerden zodat iedereen het kon zien. De verovering van de gouden Aquilae (legionair strijdnormen) door de Parthen werd beschouwd als een ernstige morele nederlaag en een slecht voorteken voor de Romeinen. Er was een generatie diplomatie voor nodig voordat de Parthen ze teruggaven. Een belangrijke en onverwachte implicatie van deze strijd was dat het het Europese continent openstelde voor een nieuw en mooi materiaal: zijde. Het meest directe gevolg van de strijd was echter dat Carrhae een indirecte oorzaak was van de val van de Republiek en de opkomst van het rijk. [Bron]

De slag bij Pydna in 168 v.Chr. tussen Rome en de Macedonische Antigonidische dynastie vertegenwoordigt het overwicht van Rome in de Helleense/Hellenistische wereld en het einde van de Antigonidische lijn van koningen, wiens macht terugging tot Alexander III van Macedonië. Het wordt vaak beschouwd als het klassieke voorbeeld van de Macedonische falanx tegen het Romeinse legioen, en algemeen aanvaard als bewijs van de superioriteit van de laatste over de eerste. Dit was niet het laatste conflict tussen de twee rivalen, maar het brak de Macedonische macht in de rug. De politieke gevolgen van de verloren strijd waren ernstig. De schikking van de Senaat omvatte de deportatie van alle koninklijke functionarissen en het permanente huisarrest van Perseus. Het koninkrijk was verdeeld in vier republieken die sterk werden beperkt in omgang of handel met elkaar en met Griekenland. Er vond een meedogenloze zuivering plaats, waarbij zogenaamd anti-Romeinse burgers werden aangeklaagd door hun landgenoten en in groten getale gedeporteerd (300 000). [Bron]

De slag bij Ipsus werd uitgevochten tussen enkele van de Diadochen (de opvolgers van Alexander de Grote) in 301 v.Chr. nabij het dorp met die naam in Phrygië. Antigonus I Monophthalmus en zijn zoon Demetrius I van Macedonië stonden tegenover de coalitie van drie andere metgezellen van Alexander: Cassander, heerser van Macedonië Lysimachus, heerser van Thracië en Seleucus I Nicator, heerser van Babylonië en Perzië. De strijd begon met de gebruikelijke, langzaam toenemende schermutselingen tussen de lichte troepen van de twee legers, waarbij uiteindelijk door beide partijen olifanten in de strijd werden gegooid. Beide partijen deden pogingen om de olifanten van de vijand te verlammen, maar moesten ook achterover leunen om hun eigen olifanten te beschermen. Demetrius' superieure cavalerie aan de rechterflank dreef de vleugel van Antiochus terug, maar werd in zijn achterwaartse slag gestopt door Seleucus, die het olifantenreservaat verplaatste om hem te blokkeren. Meer rakettroepen trokken naar de onbeschermde Antigonidische rechterflank, omdat Demetrius niet in staat was los te komen van de olifanten en het vijandige paard aan zijn front. Aan het begin van de dag had Antigonus geen plaatpantser kunnen dragen dit nadeel werd onverwachts gebruikt door een anonieme geallieerde peltast, die hem doodde met een goed geworpen speer. Zonder leiderschap en al begonnen te vluchten, viel het Antigonidische leger volledig uiteen. De laatste kans om het Alexandrijnse rijk te herenigen was nu verstreken. Antigonus was de enige generaal geweest die in staat was de andere opvolgers zonder hem consequent te verslaan, de laatste banden die het rijk was begonnen te ontbinden. Ipsus voltooide het uiteenvallen van een rijk, wat desondanks de onduidelijkheid kan verklaren, het was nog steeds een kritieke strijd in de klassieke geschiedenis en bepaalde het karakter van het Hellenistische tijdperk. [Bron]

De slag bij Gaugamela vond plaats in 331 voor Christus tussen Alexander de Grote van Macedonië en Darius III van Achaemenidisch Perzië. De slag, die ook onnauwkeurig de Slag bij Arbela wordt genoemd, resulteerde in een enorme overwinning voor de Macedoniërs. Hoewel Darius in aantal een aanzienlijk voordeel had, waren de meeste van zijn troepen van mindere kwaliteit dan die van Alexander. Alexander's pezhetairoi waren bewapend met een speer van zes meter lang, de sarissa. De belangrijkste Perzische infanterie was slecht getraind en uitgerust in vergelijking met de pezhetairoi en hoplieten van Alexander. Na het gevecht dreef Parmenion de Perzische bagagetrein op, terwijl Alexander en zijn eigen lijfwacht Darius achtervolgden in de hoop hem in te halen. Net als bij Issus werden er na de slag aanzienlijke hoeveelheden buit gewonnen, met 4.000 talenten buitgemaakt, evenals de persoonlijke strijdwagen en boog van de koning. Ook de oorlogsolifanten werden gevangen genomen. Al met al was het een rampzalige nederlaag voor de Perzen, en mogelijk een van Alexanders mooiste overwinningen. Op dit punt was het Perzische rijk verdeeld in twee helften &ndash Oost en West. Bessus vermoordde Darius, voordat hij naar het oosten vluchtte. Alexander zou Bessus achtervolgen en hem uiteindelijk het volgende jaar gevangennemen en executeren. De meerderheid van de bestaande satrapen moesten hun loyaliteit aan Alexander betuigen en hun posities mogen behouden, maar traditioneel wordt aangenomen dat het Perzische rijk is gevallen met de dood van Darius. [Bron]

De slag bij Marathon tijdens de Grieks-Perzische oorlogen vond plaats in 490 voor Christus en was het hoogtepunt van de eerste volledige poging van koning Darius I van Perzië om de rest van Griekenland te veroveren en op te nemen in het Perzische rijk, dat het zwakste deel van zijn westelijke grens. De langstdurende erfenis van Marathon was de dubbele omhulling. Sommige historici hebben beweerd dat het willekeurig was in plaats van een bewuste beslissing van Miltiades en de tiran van de Griekse koloniën. In hoplitische veldslagen waren de twee partijen meestal sterker dan het midden, omdat ze ofwel het zwakste punt (rechterkant) of het sterkste punt (linkerkant) waren. Voor Miltiades (en na hem tot Epaminondas) was dit echter alleen een kwestie van kwaliteit, niet van kwantiteit. Miltiades had persoonlijke ervaring met het Perzische leger en kende zijn zwakheden. Zoals zijn handelswijze na de slag laat zien (invasies van de Cycladen-eilanden), had hij een geïntegreerde strategie om de Perzen te verslaan, dus er is geen reden waarom hij geen goede tactiek had kunnen bedenken. De dubbele omhulling is sindsdien gebruikt, zoals toen het Duitse leger een tactiek gebruikte bij de slag bij Tannenberg tijdens de Eerste Wereldoorlog, vergelijkbaar met die van de Grieken bij Marathon. [Bron]

De slag bij Cynoscephalae werd in 197 voor Christus in Thessalië uitgevochten tussen het Romeinse leger, geleid door Titus Quinctius Flamininus, en de Antigonidische dynastie van Macedonië, geleid door Philip V. Deze Macedonische nederlaag markeert het overlijden van de keizerlijke macht van de opvolgers van Alexander de Grote naar Rome. Samen met de latere Slag bij Pydna wordt vaak aangenomen dat deze nederlaag heeft aangetoond dat de Macedonische falanx, voorheen de meest effectieve gevechtseenheid in de antieke wereld, nu verouderd was, hoewel de falanx in feite in staat was de legioenen terug te dringen en vast te houden. hun eigen zwaarden, totdat twintig maniples op hun achterste vielen (vanwege de zwakke Macedonische flanken en de Romeinse olifanten die de ongeordende Macedonische linkerflank omleidden). Als gevolg van zijn verlies moest Philip 1.000 talenten aan Rome betalen, evenals zijn marine en het grootste deel van zijn leger ontbinden. Ook moest hij zijn zoon als gijzelaar naar Rome sturen. De strijd bepaalde in veel opzichten de verdere geschiedenis van de Middellandse Zee. Het was ook een belangrijk keerpunt in de manier waarop oorlogen werden uitgevochten. De afbeelding hierboven is de plaats van de slag bij Cynoscephalae vandaag. [Bron]

De Slag bij Actium was het beslissende gevecht in de laatste oorlog van de Romeinse Republiek tussen de strijdkrachten van Octavianus en die van de gecombineerde strijdkrachten van Marcus Antonius en Cleopatra. Het werd gevochten op 2 september 31 v. Chr., aan de Ionische Zee nabij de Romeinse kolonie Actium in Griekenland. De vloot van Octavianus stond onder bevel van Marcus Vipsanius Agrippa, terwijl de vloot van Antony werd ondersteund door de vloot van zijn geliefde, Cleopatra VII, koningin van Ptolemaeïsch Egypte. De overwinning van de vloot van Octavianus stelde hem in staat zijn macht over Rome en zijn domeinen te consolideren, wat leidde tot zijn aanneming van de titel Princeps ('eerste burger') en zijn aanvaarding van de titel van Augustus van de Senaat. Als Augustus Caesar zou hij de attributen van een herstelde Republiek behouden, maar veel historici beschouwen zijn consolidering van de macht en de goedkeuring van zijn eretitels die voortvloeien uit zijn overwinning in Actium als het einde van de Romeinse Republiek en het begin van het Romeinse Rijk. De politieke gevolgen van deze zeeslag waren verstrekkend. Als gevolg van het verlies van zijn vloot, deserteerde het leger van Marcus Antonius, dat was begonnen als gelijkwaardig aan dat van Octavianus, in grote aantallen. Door een communicatiestoring begon Antony te geloven dat Cleopatra gevangen was genomen, en dus pleegde hij zelfmoord. Cleopatra hoorde het nieuws over Marcus Antonius en pleegde, in plaats van het risico te lopen door Octavianus gevangen te worden genomen, zelf zelfmoord op 12 augustus 30 v.Chr. Ze liet zich steken door een giftige adder die naar verluidt voor haar verborgen was in een mand met vijgen. [Bron]

De Derde Slavische Oorlog, ook wel de Gladiatoroorlog, De Slag bij Siler River en De Oorlog van Spartacus door Plutarchus genoemd, was de laatste van een reeks niet-verwante en onsuccesvolle slavenopstanden tegen de Romeinse Republiek, gezamenlijk bekend als de Servile Oorlogen. De Derde Servile Oorlog was de enige die het Romeinse hart van Italië rechtstreeks bedreigde en was dubbel alarmerend voor het Romeinse volk vanwege de herhaalde successen van de snel groeiende groep rebellenslaven tegen het Romeinse leger tussen 73 en 71 voor Christus. De opstand werd uiteindelijk neergeslagen door de geconcentreerde militaire inspanning van een enkele commandant, Marcus Licinius Crassus, hoewel de opstand nog jarenlang indirecte gevolgen had voor de Romeinse politiek. De Derde Servische Oorlog was belangrijk voor de bredere geschiedenis van het oude Rome, vooral vanwege het effect op de carrières van Pompeius en Crassus. De twee generaals gebruikten hun succes bij het neerslaan van de opstand om hun politieke carrière voort te zetten, gebruikmakend van hun publieke toejuiching en de impliciete dreiging van hun legioenen om de consulaire verkiezingen van 70 voor Christus in hun voordeel te beïnvloeden. Hun acties als consuls hebben de ondermijning van de Romeinse politieke instellingen enorm bevorderd en hebben bijgedragen aan de uiteindelijke overgang van de Romeinse Republiek naar het Romeinse Rijk. [Bron]

De slag bij Pharsalus was een beslissende slag in de burgeroorlog van Caesar. Op 9 augustus 48 v.Chr. vond de strijd plaats bij Pharsalus in Centraal-Griekenland tussen strijdkrachten van de Populares-factie en strijdkrachten van de Optimates-factie. Beide facties veldlegers uit de Romeinse Republiek. De Populares werden geleid door Gaius Julius Caesar (Caesar) en de Optimates werden geleid door Gnaeus Pompeius Magnus (Pompey). Naast Pompey omvatte de Optimates-factie het grootste deel van de Romeinse senaat. De overwinning van Caesar verzwakte de senatorische troepen en verstevigde zijn controle over de Republiek. Pompey vluchtte van Pharsalus naar Egypte, waar hij werd vermoord in opdracht van farao Ptolemaeus XIII. De Slag bij Pharsalus maakte een einde aan de oorlogen van het Eerste Triumviraat. De Romeinse burgeroorlog was echter niet beëindigd. De twee zonen van Pompeius, van wie Sextus Pompeius de belangrijkste was, en de Pompeïsche factie onder leiding van Labienus, overleefden en vochten voor hun zaak in naam van Pompeius de Grote. Caesar bracht de volgende jaren door met het "opruimen" van de overblijfselen van de senatorische factie. Nadat hij deze taak eindelijk had voltooid, werd hij vermoord in een samenzwering georganiseerd door Marcus Junius Brutus en Gaius Cassius Longinus. [Bron]

De slag bij Salamis was een beslissende zeeslag tussen de Griekse stadstaten en Perzië in september 480 v.Chr. in de zeestraat tussen Piraeus en het eiland Salamis, een eiland in de Saronische Golf bij Athene. De Grieken waren het niet eens over hoe ze zich moesten verdedigen tegen het Perzische leger, maar Athene onder Themistocles gebruikte hun marine om de veel grotere Perzische marine te verslaan en koning Xerxes I van Perzië te dwingen zich terug te trekken. De Griekse overwinning markeerde het keerpunt van de campagne, wat leidde tot de uiteindelijke Perzische nederlaag. De slag bij Salamis is door veel historici beschreven als de belangrijkste slag in de menselijke geschiedenis. De nederlaag van de Perzische marine speelde een belangrijke rol in de uiteindelijke Perzische nederlaag, omdat het de oorlog dramatisch in het voordeel van Griekenland veranderde. Veel historici beweren dat de onafhankelijkheid van Griekenland de basis heeft gelegd voor de westerse beschaving, met name door het behoud van de Atheense democratie, het concept van individuele rechten, relatieve vrijheid van de persoon, ware filosofie, kunst en architectuur.Als de Perzen in Salamis hadden gewonnen, is het zeer waarschijnlijk dat Xerxes erin zou zijn geslaagd om alle Griekse naties te veroveren en naar het Europese continent te gaan, waardoor de groei (en zelfs het bestaan) van de westerse beschaving werd voorkomen. Gezien de invloed van de westerse beschaving op de wereldgeschiedenis, evenals de verworvenheden van de westerse cultuur zelf, zou een mislukking van de Grieken om in Salamis te winnen vrijwel zeker ernstige gevolgen hebben gehad voor de loop van de menselijke geschiedenis. [Bron]

Om de lancering van onze nieuwe stabiele service en onze nieuwe look te vieren, hebben we een wedstrijd op deze lijst. De prijs is een kopie van beide films die hierboven worden getoond &ndash Spartacus, en 300. De prijswinnaar is één willekeurig geselecteerde commentator &ndash zoals gewoonlijk kunt u meer dan één opmerking invoeren om uw kansen te vergroten, maar uw opmerkingen moeten hier waarde aan toevoegen lijst & ndash dat betekent dat er geen opmerkingen zijn die alleen zijn bedoeld om een ​​betere kans te maken om te winnen. De winnaar moet een geregistreerde gebruiker van het Lijstuniversum zijn. U kunt hier klikken om u aan te melden. Veel geluk!

Omissies: Kadesh, Megiddo, Thermopylae (minder beslissend dan Salamis hierboven), Cannae en Gaixia

Dit artikel is gelicentieerd onder de GFDL omdat het citaten bevat uit de hierboven aangehaalde Wikipedia-artikelen.


Grote Romeinse burgeroorlog, 50-44 v.Chr

De Grote Romeinse Burgeroorlog (50-44 v.Chr.) werd veroorzaakt door de rivaliteit tussen Julius Caesar en zijn conservatieve oppositie in de Senaat, en zag Caesar al zijn vijanden verslaan in veldslagen verspreid over de Romeinse wereld, voordat hij op beroemde wijze werd vermoord in Rome op de Ides van maart, die een nieuwe ronde van burgeroorlogen ontketende.

De Grote Romeinse Burgeroorlog was het middelste deel van een reeks burgeroorlogen die de Romeinse Republiek op zijn kop zette en uiteindelijk vernietigde. De Romeinse politiek was vaak behoorlijk wreed, maar het bijna normale lage niveau van geweld werd voor het eerst omgeslagen in een burgeroorlog door de rivaliteit tussen Marius en Sulla.

Marius was een van de grote militaire helden van de Republiek, consul gedurende vijf opeenvolgende jaren van 104 voor Christus tot 100 voor Christus, en verantwoordelijk voor de nederlaag van de Cimbri en de Teutonen, twee Germaanse stammen die de Romeinse legers in Gallië versloegen en probeerden Italië binnen te vallen, en de Romeinse bevelhebber in het begin van de Sociale Oorlog (91-88 v.Chr.).

Sulla oorlog een aanstaande commandant. Hij had onder Marius gediend in Afrika en tegen de Cimbri en Germanen, en maakte naam in onafhankelijk bevel tijdens de Sociale Oorlog. Hoewel Sulla en Marius oorspronkelijk hadden samengewerkt, waren ze tegen het einde van de Sociale Oorlog bittere rivalen.

In 88 voor Christus was Sulla een van de twee consuls. Een van de beloningen van die post was dat deze zou worden gevolgd door een militair bevel, en Sulla kreeg het bevel over de oorlog tegen Mithridates de Grote van Pontus (Eerste Mithridatische Oorlog). Marius wilde echter ook het commando, en hij vond een bondgenoot in de tribune P. Sulpicius, die ruzie had gekregen met Sulla over de integratie van de nieuwe Italiaanse burgers in het Romeinse stemsysteem. Toen Sulpicius probeerde de Italianen te verdelen over alle vijfendertig Romeinse stammen, zodat hun stemmen enige betekenis zouden hebben, verzette Sulla zich tegen hem. Sulpicius en Marius vormden een alliantie, de consuls probeerden alle openbare zaken op te schorten en er braken rellen uit. Sulla moest onderdak zoeken bij Marius en stemde ermee in de Italiaanse wetten te steunen. Daarna keerde hij terug naar zijn leger, dat Nola belegerde. Toen Sulla de stad uit was, gebruikte Sulpicius zijn krachten om het oostelijke commando over te dragen van Sulla naar Marius.

Marius en Sulpicius hadden Sulla verkeerd ingeschat. Toen het nieuws hem bereikte, besloot Sulla zijn leger naar Rome te leiden, een belangrijke beslissing, waarmee hij een taboe doorbrak dat zo oud was als de Republiek. Op één na lieten zijn officieren hem in de steek toen de beslissing openbaar werd gemaakt, maar de troepen kozen de kant van Sulla en vermoordden een groep krijgstribunen die door Marius waren gestuurd om het bevel over te nemen. Marius en Sulpicius hadden geen soldaten tot hun beschikking - niemand mocht in Rome komen - en de geïmproviseerde troepen die ze konden verzamelen waren niet in staat om het hoofd te bieden aan Sulla's mannen (slag bij het Esquiline Forum, 88 v.Chr.). Sulpicius werd verraden en vermoord, maar Marius wist te ontsnappen naar Afrika.

Sulla's nederzetting ontrafeld in 87 voor Christus. Een van de jaarconsuls, Lucius Cornelius Cinna, was tegen de hervormingen van Sulla. Nadat een poging om de stemhervorming door te voeren mislukte, werd hij de stad uitgezet, bracht een leger op de been en keerde terug om Rome te belegeren. Hij werd gesteund door Marius, die terugkeerde uit Afrika, en de stad viel. Marius bezoedelde zijn reputatie nogal met een slachting van zijn vermeende vijanden, maar stierf in het begin van 86 voor Christus, net nadat hij aan zijn zevende consulaat was begonnen. Hierdoor bleef Cinna de komende jaren de dominante figuur in Italië.

Terwijl dit gaande was, voerde Sulla campagne in het oosten, waar hij erin slaagde Mithridates van al zijn veroveringen te verdrijven. Een Maria-leger dat was gestuurd om Sulla te bestrijden, voerde in plaats daarvan campagne tegen Mithridates, nadat de oorspronkelijke commandant door een van zijn tribunes was omvergeworpen. Tegen 85 v.Chr. was Mithridates klaar om vrede te sluiten, de oorlog te beëindigen en Sulla te bevrijden om terug te keren naar Italië. Cinna werd gedood in een muiterij onder troepen die de zeereis naar de Balkan niet wilden riskeren om Sulla het hoofd te bieden, waardoor Carbo het verzet naar Sulla moest leiden.

In 83 keerde voor Christus Sulla terug naar Italië. De campagne van 83 voor Christus was besluiteloos en de oorlog ging door tot in 82 voor Christus. De belangrijkste focus van de oorlog in dat jaar was een lange belegering van Praeneste, waar de jongere Marius werd gedwongen te vluchten nadat hij een nederlaag had geleden in de slag bij Sacriportus. De Marianen deden verschillende pogingen om het beleg op te heffen, maar die mislukten. Hun Samnitische bondgenoten probeerden zelfs Rome aan te vallen en werden verslagen in een wanhopige strijd buiten de Colline Gate. Kort daarna gaven de verdedigers van Praeneste het op. Marius pleegde zelfmoord, terwijl Carbo uit Italië vluchtte en kort daarna stierf. Pompey de Grote werd gestuurd om af te rekenen met de Marianen op Sicilië en Afrika, en liet alleen de troepen van Sertorius in Spanje achter.

Sulla's heerschappij begon slecht, met de beruchte verboden. Een reeks lijsten van zijn politieke tegenstanders werd op het Forum geplaatst en het was legaal om iedereen te doden die op de lijst stond. Verschillende van zijn bondgenoten, de meest beruchte Crassus, gebruikten de verboden om rijk te worden, waarbij de namen van onschuldige maar rijke mannen aan de lijsten werden toegevoegd. Uiteindelijk maakte Sulla een einde aan het bloedbad, maar het was een blijvende smet op zijn reputatie.

Vervolgens kwamen zijn constitutionele hervormingen. Sulla geloofde dat de volksvergaderingen en de Tribunes van het Plebs grotendeels verantwoordelijk waren voor de politieke instabiliteit in Rome (eerder negerend de rol van ambitieuze aristocraten zoals hijzelf). Eerst maakte hij zichzelf tot 'dictator voor de wederopbouw van de staat', waarmee hij zijn acties een vernis van legaliteit gaf op basis van een oud precedent. Hij elimineerde de bevoegdheden van de Tribunes om een ​​veto uit te spreken of wetten in te dienen, en verbood iedereen die als tribuun had gediend om nog meer functies te bekleden, in een poging de post minder aantrekkelijk te maken. De volksvergaderingen mochten alleen stemmen over wetten die de Senaat al had goedgekeurd. De loopbaanstructuur voor Romeinse aristocraten werd strenger gecontroleerd. Elke post zou beurtelings moeten worden bekleed, van quaestor tot praetor tot consul, en er werden leeftijdsgrenzen opgelegd - 30 voor quaestor, 42 voor consul. Het aantal quaestoren werd verhoogd tot twintig en ze kregen automatisch toegang tot de Senaat, waardoor de macht van de censoren werd verminderd. Het aantal normale praetoren werd verhoogd tot acht. Niemand zou binnen tien jaar twee keer dezelfde functie kunnen bekleden. Het doel was om een ​​stabiel systeem te creëren dat gedomineerd werd door de aristocratie, maar Sulla slaagde er niet in het grootste probleem aan te pakken waarmee de Republiek de komende jaren te maken zou krijgen: de macht van het leger. Na het opstellen van zijn nieuwe grondwet trad Sulla af als dictator en keerde terug naar het privé-leven. Zijn constitutie duurde niet erg lang na zijn dood in 78 voor Christus.

In de periode tussen de dood van Sulla en het uitbreken van de Grote Burgeroorlog kwamen enkele van de beroemdste namen uit de Romeinse geschiedenis naar voren. Julius Caesar is natuurlijk de bekendste van hen, maar aan het begin van de periode was hij een vrij jonge naam. De twee leidende figuren waren Pompeius de Grote, die voor het eerst bekendheid verwierf door een privéleger op te richten om Sulla te helpen tijdens zijn tweede burgeroorlog, en de beroemde rijke Crassus, die zijn invloed vooral achter de schermen aanwendde en gebruik maakte van zijn financiële macht over vele van zijn mede-Romeinen. Slechts iets onder hen was Cato de Jongere, een compromisloze conservatief wiens vastberaden verdediging van wat hij geloofde dat de status-quo was, waarschijnlijk een belangrijke rol speelde in de val van de Republiek door zijn tegenstanders in steeds moeilijkere posities te steunen. De redenaar, advocaat en politicus Cicero had minder invloed dan hij dacht, maar zijn geschriften geven een onschatbaar beeld van de periode, en hij was wel consul. Een verwarrend grote cast van aristocratische figuren vulde het politieke toneel, vaak wisselend van kant met verbijsterende snelheid.

De eerste uitdaging voor Sulla's grondwet begon bijna zodra hij de macht opgaf. De consuls voor 78 voor Christus waren Q. Catulus, een aanhanger van Sulla en M. Lepidus, een van zijn luidruchtigste tegenstanders. Lepidus begon campagne te voeren voor de intrekking van sommige wetten van Sulla, bijna zodra zijn ambtstermijn begon, mogelijk zelfs toen Sulla nog leefde. De twee consuls botsten openlijk nadat ze waren gestuurd om een ​​opstand neer te slaan in Etrurië, waar Lepidus besloot de kant van de rebellen te kiezen. De Senaat was niet bereid om tegen hem op te komen en een nieuwe burgeroorlog te riskeren, en in plaats daarvan gaf hij hem de provincie Transalpine Gallië in een poging hem uit Rome te krijgen. Maar ze riepen hem toen naar Rome om de verkiezingen voor 77 voor Christus te houden, maar Lepidus koos ervoor om naar de stad te marcheren aan het hoofd van de Etrurische rebellen en een tweede termijn als consul te eisen.

Na even te hebben geaarzeld, herwon de Senaat zijn moed en gaf Catulus en Pompey de opdracht om de opstand van Lepidus neer te slaan. Lepidus bereikte Rome, waar hij werd verslagen door Catulus en Pompey in de buurt van de Mulvische brug en de Janiculum. Catulus achtervolgde Lepidus terwijl hij zich terugtrok naar Etrurië, terwijl Pompeius verder naar het noorden trok en Lepidus' legaat M. Brutus in Mutina belegerde. Mutina viel al snel en Brutus werd gedood (nogal controversieel). Pompey vervolgde zijn verslagen troepen naar Ligurië, waar hij de zoon van Lepidus, Scipio, gevangen nam en doodde. Pompey voegde zich toen bij Catulus op tijd om deel te nemen aan de laatste slag van de korte burgeroorlog in Cosa in Etruria. Lepidus vluchtte naar Sardinië, waar hij spoedig stierf. Zijn overlevende aanhangers vluchtten naar Spanje onder het bevel van Perperna, waar ze zich al snel bij Sertorius voegden, de laatste van Sulla's tegenstanders die nog steeds in de strijd waren tegen zijn nieuwe grondwet.

Toen de burgeroorlog was afgewend, kreeg Pompeius de opdracht zijn leger te ontbinden, maar tot grote schrik van de Senaat weigerde hij. Gelukkig voor hen had Pompey geen interesse om de macht te grijpen. In plaats daarvan wilde hij naar Spanje worden gestuurd, waar Sertorius een reeks overwinningen op senatoriale legers had behaald, en momenteel stand hield tegen Metellus Pius. Geen van de consuls voor 77 voor Christus was bereid om naar Spanje te gaan, en uiteindelijk gaf de Senaat toe en stuurde Pompey. Eenmaal in Spanje werkte hij redelijk goed samen met Metellus Pius, en tegen 72 v.Chr. was Sertorius gedood en was de Sertorian Oorlog voorbij.

In de daaropvolgende jaren werd de Romeinse binnenlandse politiek gedomineerd door pogingen om de macht van de Tribunes te herstellen, sterk verminderd door Sulla. Dit werd echter in 73 voor Christus overschaduwd door het uitbreken van de opstand van Spartacus. Dit begon met de ontsnapping van een groep gladiatoren onder leiding van Spartacus uit een school in Capua, maar breidde zich al snel uit tot een volledige opstand. Spartacus eindigde met een enorm leger, waarmee hij schijnbaar naar believen op en neer kon zwerven over het Italiaanse schiereiland, waarbij hij elk leger versloeg dat tegen hem werd gestuurd. Uiteindelijk werd het commando van de consuls afgenomen en aan Crassus gegeven, die een enorm eigen leger op de been bracht en Spartacus in het uiterste zuiden van Italië in de val liet lopen. Een poging om naar Sicilië te ontsnappen mislukte en Spartacus werd uiteindelijk verslagen door Crassus tijdens zijn derde poging om uit het verre zuiden te ontsnappen. Tot grote ergernis van Crassus was Pompeius net teruggeroepen naar Italië en versloeg hij 5.000 vluchtende rebellen, waardoor hij een aandeel kon claimen in de nederlaag van de opstand.

In de nasleep van de opstand behaalde Pompeius een derde triomf voor zijn overwinningen in Spanje, maar Crassus moest het doen met een ovatie, omdat het neerslaan van een slavenopstand een volledige triomf rechtvaardigde. Een belangrijkere beloning was dat de twee mannen in 70 v.Chr. tot consuls werden gekozen. Ze werkten samen om de macht van de tribunes te herstellen, maar brachten verder het grootste deel van hun jaar door aan de macht tegenover elkaar. De twee mannen organiseerden een openbare verzoening aan het einde van hun ambtsjaar, maar het is duidelijk hoe oprecht het was.

Pompey was in normale tijden een ontzettend effectieve politicus, en verdween tussen crisisperiodes nogal naar de achtergrond. Bij deze gelegenheid was het de groeiende dreiging van de piratenvloten van de Middellandse Zee die hem weer in de schijnwerpers bracht. Veel van de zeemachten die de piraten onder controle hadden gehouden, waren verzwakt door Rome en bedreigden zelfs de Italiaanse kust. Na een reeks ineffectieve pogingen om het probleem aan te pakken, kreeg Pompeius in 67 voor Christus het bevel over de campagne tegen de piraten, met vergaande bevoegdheden. Hij kreeg proconsulbevoegdheden over de Middellandse Zee en tot vijftig mijl landinwaarts, met een macht gelijk aan elke proconsul in het gebied.

De campagne van Pompeius tegen de piraten was een van zijn meest indrukwekkende prestaties. Hij bracht een enorme vloot op de been, die hij in afzonderlijke divisies verdeelde die elk een deel van de zee patrouilleerden. Pompey zelf nam zijn belangrijkste vloot mee naar Cilicië om de belangrijkste piratenbases aan te pakken. De campagne duurde slechts drie maanden en tegen het einde van de zomer van 67 voor Christus waren de piraten verslagen.

Het volgende bevel van Pompeius was tegen Mithridates, die al sinds 73 v.Chr. in oorlog was met Rome (Derde Mithridatische Oorlog). Lucullus, de Romeinse bevelhebber tijdens het grootste deel van de oorlog, verdreef Mithridates met succes uit zijn koninkrijk Pontus en joeg hem vervolgens Armenië binnen, waar hij een reeks nederlagen toebracht aan de Armeniërs van Tigranes de Grote. Hij was echter niet in staat om zijn overwinning daadwerkelijk te voltooien en in 67 voor Christus versloeg Mithridates de Romeinse troepen die waren achtergelaten in Pontus tijdens de slag bij Nicopolis en kreeg hij kort het bevel over zijn koninkrijk terug. Tegen die tijd had Lucullus veel van zijn politieke steun in Rome verloren, en in 66 voor Christus kreeg Pompeius het bevel over de oorlog. Opnieuw bewoog Pompey snel en tegen het einde van het jaar was Mithridates verslagen en gedwongen in ballingschap te vluchten. In 65 v. Chr. bereikte hij de Krim, waar hij de macht greep van zijn ontrouwe zoon Machares, en begon een complot te smeden voor zijn terugkeer. Maar deze keer was hij niet in staat om de macht vast te houden en werd hij uiteindelijk gedwongen zelfmoord te plegen nadat zijn zoon tegen hem in opstand kwam.

In de daaropvolgende jaren reorganiseerde Pompeius grote delen van het Oosten. Hij nam de veroveringen van Tigranes weg en claimde het gezag over Syrië, waar de laatste overblijfselen van het eens zo machtige Seleucidische rijk zonder problemen werden weggevaagd. Pompey keerde uiteindelijk terug naar Rome in 62 voor Christus, terugkomend als een overwinnende held die een van haar meest hardnekkige vijanden had verslagen en enorme nieuwe provincies voor haar had gewonnen. Helaas voor Rome wantrouwden veel van de meer conservatieve figuren in de Senaat Pompeius vanwege zijn succes, vanwege het onregelmatige karakter van zijn carrière en omdat hij & lsquo; een van hen & rsquo was. Hun onwil om compromissen te sluiten met Pompey en hun aanhoudende pogingen om zijn voorstellen te blokkeren, zouden hem al snel dwingen tot een onverwachte alliantie met Crassus en Caesar.

Pompey keerde tegen het einde van 62 voor Christus terug naar Italië. Veel conservatieven van de Senaat hadden gevreesd dat hij met zijn leger naar Rome zou marcheren en de macht zou grijpen, maar in plaats daarvan ontbond hij zijn troepen zodra hij geland was en maakte een vreedzame opmars naar Rome. Hij stopte toen bij zijn villa in Alba, waar hij wachtte om zijn triomf te vieren). Pompey slaagde erin om een ​​van zijn aanhangers, M. Piso, verkozen te krijgen tot een van de consuls voor 61 v.Chr., maar hij bleek een grote teleurstelling te zijn. In plaats van zich te concentreren op het goedkeuren van de nederzetting van Pompeius in het oosten en de goedkeuring van land voor deze troepen, concentreerde Piso zich op zijn eigen vete met zijn collega-consul M. Messalla.

Pompey gaf uiteindelijk Piso op en slaagde erin om een ​​andere van zijn aanhangers, L. Afranius, verkozen te krijgen tot een van de consuls voor 60 v.Chr. Dit electorale succes werd waarschijnlijk geholpen door de viering van Pompeius' magnifieke tweedaagse overwinning in september 61 voor Christus, die het Romeinse volk zal hebben herinnerd aan de enorme toename van rijkdom die hij voor hen had gewonnen. Een poging om in 60 voor Christus een landrekening goed te keuren eindigde in een farce, waarbij de andere consul, Metellus Celer, officiële zaken deed vanuit de gevangenis. Uiteindelijk is de rekening mislukt.

De gebeurtenissen haastten zich nu naar de vorming van het eerste driemanschap, hoewel tot het allerlaatste moment het idee dat Pompey en Crassus op zo'n manier zouden kunnen samenwerken, onmogelijk leek. De katalysator voor deze transformatie van het politieke toneel was Julius Caesar. Hij had net een kleine oorlog in West-Spanje gewonnen en had een triomf gewonnen. Hij was ook vastbesloten om zich verkiesbaar te stellen als een van de consuls voor 59 voor Christus. Caesar was een van de mensen waar Cato de Jongere fel tegen was. In een poging hem ervan te weerhouden consul te worden, overtuigde Cato de Senaat ervan om Caesar te weigeren zijn kandidatuur uit te roepen zonder de heilige grens van Rome te overschrijden. Caesar stond nu voor een duidelijke keuze: buiten de grens blijven, zijn triomf vieren maar de kans verliezen om voor consul te gaan, of de grens overschrijden, voor consul staan ​​maar zijn triomf verliezen. Caesar koos voor de tweede optie, ging de stad binnen en stelde zich kandidaat. Cato en zijn factie probeerden de potentiële schade te verminderen door te suggereren dat in plaats van overzeese provincies te laten regeren, de consuls van 59 v.Chr. de taak zouden moeten krijgen om de bandieten uit Italië te verwijderen. Ten slotte besteden de conservatieven grote sommen geld om ervoor te zorgen dat Cato's schoonzoon M. Calpurnius Bibulus tot co-consul van Caesar werd gekozen, in een poging ervoor te zorgen dat Caesar niets zou kunnen bereiken tijdens zijn jaar aan de macht.

Terwijl al deze politieke manoeuvres aan de gang waren, benaderde Caesar Pompey en Crassus om te proberen hun steun te krijgen. Beide mannen hadden ontdekt dat hun eigen politieke ambities werden geblokkeerd door dezelfde groep aristocratische senatoren die nu tegen Caesar waren. Op een gegeven moment kwamen ze tot een overeenkomst om elkaars wetten en vereisten in het volgende jaar te ondersteunen.

Eerst probeerde Caesar de optimaliseert, handelt op een schijnbaar redelijke manier. Hij stelde een nieuwe grondwet voor, maar probeerde die aspecten weg te nemen waarover de conservatieven in eerdere wetten hadden geklaagd. De nieuwe landrekening zou worden beheerd door een raad van twintig man, en Caesar werd uitgesloten van deelname. Al het benodigde land zou worden gekocht van bereidwillige verkopers tegen de officiële waarde, met behulp van geld dat door Pompey was gewonnen.Ondanks al zijn inspanningen verzetten zijn tegenstanders zich nog steeds tegen de wet, sommigen omdat deze door Caesar was voorgesteld en hem dus populariteit zou winnen. Cato verzette zich er grotendeels tegen omdat het een innovatie was, en anderen omdat Cato ertegen was. Caesar probeerde Cato in de gevangenis te krijgen wegens het belemmeren van de wet, maar moest zich terugtrekken. Ten slotte bracht Caesar de wet voor de volksvergaderingen. Opnieuw weigerde Bibulus het door te laten. Caesar deed een beroep op Pompey, die het niet verwonderlijk steunde. Vervolgens deed hij een beroep op Crassus, van wie men had kunnen verwachten dat hij zich ertegen zou verzetten, maar blijkbaar tot de verbazing van de meeste mensen steunde Crassus publiekelijk het wetsvoorstel en bracht uiteindelijk het driemanschap in de openbaarheid. Op de dag van de stemming probeerde Bibulus technische maatregelen te nemen om de stemming ongeldig te maken, terwijl Cato probeerde ertegen te protesteren, maar ze werden met geweld verwijderd en de wet werd aangenomen. De volgende dag slaagde Bibulus er niet in de senaat ertoe te brengen een veto uit te spreken over de wet. Na deze mislukking trok Bibulus zich terug in zijn huis, van waaruit hij probeerde slechte auspiciën af te kondigen voor elke mogelijke dag waarop openbare zaken konden worden uitgevoerd, maar zonder grote gevolgen. Caesar werd effectief overgelaten om op te treden als de enige consul voor het jaar.

De rest van het jaar regeerde Caesar via de volksvergadering. De oostelijke nederzetting van Pompeius werd uiteindelijk goedgekeurd, terwijl Crassus de door hem gevraagde financiële maatregelen kreeg. De alliantie tussen Caesar en Pompeius werd versterkt door het huwelijk van Pompeius met Caesars dochter Julia. Er werd een nieuwe, meer radicale landwet aangenomen. Ten slotte werd de eerdere verdeling van de provincies geannuleerd en kreeg Caesar voor vijf jaar Cisalpina Gallië en Illyricum met drie legioenen. De Senaat, bij deze gelegenheid onder leiding van Pompey, voegde Transalpine Gallië en een vierde legioen toe, in de hoop dat dit Caesar verder van Rome zou houden.

Tegen het einde van het jaar hadden de triumvirs het meeste gekregen van wat ze wilden, maar tegen hoge kosten. Pompey had zijn oostelijke nederzetting en zijn landwet, hoewel hij veel van zijn populariteit had verloren. Caesar had zijn jaar als consul en zijn bevel in Gallië, maar had permanente vijanden gemaakt in de Senaat, die de hele tijd dat hij in Gallië was, zich voorbereidde om hem bij zijn terugkeer ten val te brengen.

In 58 vertrok Caesar uiteindelijk naar Gallië, waar hij al snel betrokken raakte bij de beroemde Gallische oorlog, waarbij hij zijn provinciale functie gebruikte om een ​​van de grote veroveringsoorlogen van de Romeinse Republiek te lanceren. Terwijl hij weg was, bleef de politiek van Rome even giftig als altijd. In 58 voor Christus was de belangrijkste destabiliserende factor de tribune Clodius, officieel een aanhanger van Caesar, maar in werkelijkheid een immorele figuur. Tijdens zijn ambtsperiode dwong hij Cicero tot ballingschap, waarbij hij de gebeurtenissen van Cicero's jaar bij de consul tegen hem gebruikte. Maar hij was ook een redelijk bekwame politieke operator. De verkiezing van Clodius tot Tribune was alleen legitiem als de wetten van Caesar van 59 voor Christus legitiem waren, aangezien het Caesar was geweest die hem had toegestaan ​​een plebejer te worden. De conservatieve oppositie had geprobeerd ze illegaal te laten verklaren, maar in 58 voor Christus stemde Cato ermee in een functie als commissaris te aanvaarden om het koninkrijk Cyprus over te nemen, dat door Rome zou worden overgenomen. Door deze functie te aanvaarden, die volgens hem in het belang van Rome was, had Cato feitelijk toegegeven dat de daden van Caesar van 59 v. Chr. legaal waren. Maar Clodius keerde zich toen tegen zijn opdrachtgevers. Hij bevrijdde Tigranes, de zoon van de koning van Armenië, een zet die Pompeius vernederde. De consul Gabinius protesteerde en werd aangevallen. Clodius keerde zich toen tegen Caesar en viel de geldigheid van zijn daden bij de consul aan!

In 57 v. Chr. was Clodius niet langer tribune, maar hij was nog steeds populair en invloedrijk, en lid van de senaat. Het jaar werd grotendeels gedomineerd door pogingen om Cicero terug te roepen en door een graantekort, waarschijnlijk veroorzaakt door de incompetentie van de man die Clodius de leiding had gegeven over de graancommissie. De acties van Clodius in 58 voor Christus hadden Pompeius tegen hem gekeerd en hij voerde campagne in Italië ter ondersteuning van Cicero. In de zomer kwamen er genoeg Italiaanse kiezers naar Rome om ervoor te zorgen dat Cicero werd teruggeroepen. Cicero bereikte Rome in september en was aanwezig toen Pompeius het bevel kreeg over de graanvoorraden. Deze keer had hij moeite om onmiddellijk indruk te maken, omdat er op dat moment een echt tekort aan graan was.

Tegen 56 voor Christus leek het driemanschap in de problemen te zijn. Pompey en Crassus waren opnieuw openlijke rivalen, en Caesars vijanden verzamelden zich tegen hem. Caesar lijkt het voortouw te hebben genomen bij het herstellen van de alliantie. In het voorjaar bezocht hij Crassus in Ravenna en Pompeius in Luca en stelde voor dat ze in 55 voor Christus het consulaat zouden gaan vertegenwoordigen. Hij zou enkele van zijn soldaten sturen om hun kandidatuur te steunen. Cicero gaf zijn verzet tegen Caesar op en Clodius viel in de rij, althans voorlopig. De verkiezingen werden in het begin van 55 voor Christus gehouden en zoals gepland werden Pompeius en Crassus naar behoren gekozen. Ze handelden snel af met hun provincies voor de volgende jaren. Crassus kreeg Syrië en Pompeius Spanje, beide voor vijf jaar, terwijl het bevel van Caesar met vijf jaar werd verlengd.

Ineenstorting van het driemanschap

Het driemanschap had het hoogtepunt van zijn succes bereikt en de gebeurtenissen dwongen de drie mannen nu uit elkaar. In 54 vertrok Crassus naar Syrië, plotseling vastbesloten om zijn militaire reputatie nieuw leven in te blazen door Parthia te veroveren. Caesar was nog steeds in Gallië, dus alleen Pompeius bleef in Rome over. Zijn banden met Caesar werden verzwakt toen zijn vrouw Julia stierf, waardoor de familieband tussen de twee mannen werd verbroken. Een van de consuls van het jaar was Ahenobarbus, een van de mannen die Pompeius en Crassus hadden gestaan ​​om hun ambt in de eerste plaats af te weren, terwijl Cato op de praetor werd gekozen. Ze probeerden de triumvirs te ondermijnen, maar konden niet wedijveren met de glamour van Caesars militaire successen en Cicero's toespraken. Hun morele gezag werd ook ernstig ondermijnd toen ze in 53 v.Chr. steekpenningen aannamen van een van de consulaire kandidaten.

De eerste echt serieuze klap kwam in 53 voor Christus. Crassus begon eindelijk aan zijn invasie van Parthia, maar werd verslagen en gedood bij Carrhae. Het jaar begon ook zonder consuls en een langdurige en gewelddadige rivaliteit tussen Clodius en Milo, die beiden privélegers op de been brachten. Pompey keerde uiteindelijk terug naar de stad en hield de verkiezingen in de zomer, tegen die tijd was de aandacht van de meeste mensen gericht op de verkiezingen voor 52 voor Christus. Clodius besloot op te staan, en opnieuw verhinderde het geweld op straat dat de verkiezingen normaal verliepen.

De rellen gingen door in 52 voor Christus. Vroeg in het jaar kwamen Clodius en Milo elkaar tegen in de buurt van Bovillae buiten Rome, en Clodius werd gedood nadat hij zijn toevlucht had gezocht in een nabijgelegen taverne. De brandstapel van Clodius werd in het senaatshuis gebouwd en het hele gebouw brandde af. In reactie vroeg de Senaat Pompey om de orde te herstellen. Sommigen stelden voor hem tot dictator te maken, maar in plaats daarvan werd hij de enige consul. Pompey gebruikte deze oproep om zijn steun aan de conservatieve factie over te hevelen. L. Domitius Ahenobarbus kreeg de leiding over een onderzoek naar de omkoping en het geweld van de afgelopen maanden. Pompey wees een aanbod om met Caesars achternicht te trouwen af ​​en koos er in plaats daarvan voor om te trouwen met de weduwe Cornelia, de zoon van Crassus, de dochter van Q. Metellus Scipio, een belangrijk lid van de aristocratische factie. Pompey was ook in staat om snel de orde te herstellen en ervoor te zorgen dat de verkiezingen voor 51 v.Chr. soepeler verliepen.

De consuls voor 51 v.Chr. waren M. Marcellus, een redenaar die tegen Caesar was geweest, en Ser. Sulpicius Rufus, naar verluidt een eerlijk man. Marcellus kondigde aan dat hij de kwestie van de vervanging van Caesar in Gallië aan de orde zou stellen, waardoor hij kwetsbaar zou worden voor vervolging. Sulpicius verzette zich tegen het plan, uit angst dat het een nieuwe burgeroorlog zou veroorzaken. Het debat over Gallië vond uiteindelijk plaats in september 51 v.Chr., en er werd overeengekomen dat in het voorjaar van 50 v.Chr. nieuwe gouverneurs zouden worden toegewezen. Caesar zou dus maanden voor de consulaire verkiezingen voor 49 v.Chr. zijn leger en zijn immuniteit verliezen, waardoor hij kwetsbaar werd voor vervolging. Pompey steunde deze maatregel.

De consuls voor 50 voor Christus waren C. Marcellus, een neef van M. Marcellus, en L Aemilius Paullus. Marcellus was door huwelijk met Caesar verwant en Paullus verleende hem een ​​gunst nadat Caesar hem 1500 talenten had geleend om de herbouw van de basiliek op het Forum Romanum te helpen voltooien. Een van de tribunes was Curio, een van Caesars tegenstanders tijdens zijn jaar als consul, maar al snel bleek hij van kant te zijn veranderd. Toen de datum voor de bespreking van de nieuwe gouverneur voor Gallië was vastgesteld, zorgde Curio ervoor dat deze werd uitgesteld. Pompey stelde voor dat Caesar zijn bevel zou opgeven op de Ides van november, 46 dagen voor het begin van het volgende consulaire jaar. Dit zou hem nog steeds kwetsbaar hebben gemaakt voor vervolging. Pompey had nu een eigen leger, klaar om het naar het oosten te leiden om de Parthen aan te pakken, maar laat in het jaar trokken ze zich terug uit Syrië om een ​​burgeroorlog aan te pakken. Caesar was in Ravenna, nog steeds binnen zijn provincie, maar gevaarlijk dicht bij Rome. Het grootste deel van zijn leger bevond zich echter nog steeds in Gallië en de Senaat geloofde dat het de sterkere militaire positie had.

De laatste crisis begon met een aanval op Curio in de senaat. Hij antwoordde door voor te stellen dat zowel Caesar als Pompeius hun bevelen zouden opgeven, hoewel hij niet specificeerde wanneer (hij was nog steeds de man van Caesar). De motie werd aangenomen met 370 stemmen voor en 22 tegen. De consul C. Marcellus geloofde dat deze stemming betekende dat het onvermijdelijk was dat Caesar zijn legioenen naar Rome zou brengen, en ging naar Pompeius om hem te vragen het bevel over de twee legioenen op zich te nemen die klaar waren voor de Parthische oorlog en verdedig de Republiek. Pompey stemde ermee in om dit te doen, &ls al het andere faalt&rsquo.

Op 10 december eindigde Curio's ambtsperiode en vertrok hij om zich bij Caesar in Ravenna te voegen. Vervolgens werd hij gekozen om het vredesaanbod van Caesar naar de Senaat te brengen. Caesar stelde voor dat zowel hij als Pompeius hun bevelen zouden neerleggen en zich zouden onderwerpen aan het oordeel van het Romeinse volk. Als Pompey het ermee eens was, dreigde Caesar snel te komen en de fouten van zijn land en die van hemzelf te wreken. De Senaat weigerde om deze suggestie te bespreken. In plaats daarvan kwam Metellus Scipio met het voorstel dat als Caesar zijn legers voor een bepaalde datum zou ontbinden, hij tot staatsvijand zou worden verklaard. De motie werd aangenomen, maar afgewezen door twee van de tribunes.

Er werd een laatste compromis voorgesteld. Caesar zou bijna al zijn provincies opgeven, maar ten minste Illyricum en één legioen behouden tot het begin van zijn tweede consulaat. Pompey was bereid om met dit plan mee te gaan, maar Cato en de andere conservatieven blokkeerden het. Op 7 januari hebben ze een nooddiploma gehaald dat de ambtenaren van de regering ervoor moeten zorgen dat de Republiek geen schade lijdt. De twee supporters van Caesar onder de Tribunes, Antony en Cassius, kregen te horen dat hun veiligheid niet langer kon worden gegarandeerd. Ze besloten hun toevlucht te zoeken bij Caesar, samen met Curio en Caelius. Toen de verbannen tribunen Caesar bereikten, besloot hij uiteindelijk met de Senaat te breken en naar Rome te marcheren, met het gevoel dat hij geen keus had.

Het uitbreken van de oorlog

Op 10 januari 49 v. Chr. (volgens de Romeinse kalender, die destijds een beetje niet synchroon liep met de seizoenen) leidde Caesar zijn enige legioen (Legio XIII Gemina) over de Rubicon, de rivier die de noordoostelijke grens van Italië markeerde juist. Door dit te doen brak hij de wet die stelde dat alleen een huidige magistraat mag uitoefenen imperium, het recht om troepen te leiden, in Italië. Caesar had als proconsul en gouverneur van Gallië het recht om troepen binnen zijn provincie te leiden. Caesar erkende dat hij een enorme gok nam, en er werd algemeen aangenomen dat hij zei 'laat de teerling werpen',

De ineenstorting van de Republikeinse instellingen werd duidelijk aangetoond door de reactie op de invasie van Caesar. Het hadden de twee consuls van dat jaar moeten zijn, Lentulus en C. Marcellus, die de Republikeinse reactie leidden, maar in plaats daarvan werd die taak aan Pompeius de Grote gegeven. Caesar ging te snel voor de Republikeinen. Hij splitste zijn leger in tweeën. Antonius werd landinwaarts gestuurd naar Arretium, aan de Via Cassia, terwijl Caesar langs de Adriatische kust naar Ancona, aan de Via Flaminia, trok. De snelle beweging van Caesar veroorzaakte paniek in Rome. Op 17 januari bereikte het nieuws dat hij al in Ancona was de stad, en Pompeius besloot naar Rome te gaan. Hij beval de consuls en de senaat om naar het zuiden te verhuizen naar Campania. Ondertussen bezette Caesar Picenum, het gebied tegenover Rome aan de Adriatische kust.

Het eerste verzet kwam bij Corfinium, een kruispuntstad ten oosten van Rome. De nieuw aangestelde proconsul voor Transalpine Gallië, Domitius Ahenobarbus, zag zichzelf als verplicht om Pompeius te gehoorzamen, die hij zag als gewoon een andere proconsul. Hij bracht een leger van drie legioenen op de been en probeerde de stad te verdedigen. Toen de mannen van Caesar opdaagden, weigerden de troepen van Ahenobarbus te vechten en dwongen hem zich over te geven. Caesar toonde de clementie waarvoor hij spoedig beroemd zou worden, en stond alle gevangenen van senatoriale of ruiterstand toe vrij te gaan. De troepen van Ahenobarbus werden in dienst van Caesar genomen en vervolgens naar Sicilië gestuurd.

Pompey was niet van plan om in Italië te vechten. Hij had slechts toegang tot twee legioenen, die beide onder Caesar hadden gediend en dus van twijfelachtige loyaliteit waren. Terwijl het leger van Caesar naar het zuiden trok, verhuisden Pompeius en de consuls naar Brundisium, dicht bij het oostelijke puntje van Italië. Op 4 maart zetten de consuls koers naar Epirus. Caesar arriveerde een paar dagen later met drie veteranen en drie nieuwe legioenen. Hij probeerde Pompeius te vangen in Brundisium, maar op 17 maart slaagde Pompeius erin om langs Caesars geplande blokkade te glippen, op weg naar Epirus.

In iets meer dan twee maanden had Caesar zijn vijanden gedwongen Italië te verlaten, en daarmee Rome. Dit was een indrukwekkende prestatie, hoewel zijn vijanden nog steeds grote delen van het rijk bezetten - de mannen van Pompeius regeerden in Spanje, terwijl de belangrijkste republikeinse troepen zich nu in het oosten bevonden. Pompey's beslissing om op zijn minst niet te proberen Rome te verdedigen, was vrijwel zeker een vergissing, en liet het hart van de Republiek over aan Caesar.

Nadat hij Pompeius niet in de val had gelokt bij Brundisium, keerde Caesar terug naar Rome. Hij verbleef er twee niet geheel succesvolle weken. Zijn pogingen om op zijn minst legitiem te lijken, werden verpest door L. Metellus, een van de tribune van het plebs, die zijn vetorecht gebruikte om alle voorstellen van Caesar te blokkeren. Caesar moest de oversteken pomoerium, de heilige grens van Rome, om Metellus te bedreigen en het geld in de schatkist in beslag te nemen. Dit was weer een schending van de Romeinse traditie, zoals elke proconsul die de grens overstak pomoerium werd beschouwd als zijnde verloren imperium, en daarmee zijn bevel.

Spanje (49 v.Chr.)

De volgende stap van Caesar was om naar Spanje te marcheren om af te rekenen met de aanhangers van Pompeius in dat gebied. Onderweg kreeg hij te maken met tegenstand bij Massilia, dat besloot de kant van Pompey en de Republikeinen te kiezen. De resulterende belegering van Massilia duurde eigenlijk langer dan de campagne van Caesar in Spanje, en de stad gaf zich pas over toen Caesar op zijn weg terug naar Italië terugkeerde. Caesar kon het zich niet veroorloven om de belegering persoonlijk te stoppen en uit te voeren. Hij verliet Decimus Brutus om het beleg te leiden (waarbij hij twee zeeslagen buiten Massilia won) en ging verder naar Spanje.

Spanje was de locatie van een van Pompey's eerste militaire successen, de nederlaag van de Romeinse rebel Sertorius (Sertorian Oorlog), en Spanje was enkele jaren zijn proconsulaire provincie geweest. Hij had drie legers in Spanje - L. Afranius en M. Petreius waren in Hispania Citerior (Oost-Spanje), de geleerde M. Varro was in Hispania Ulterior (Zuid-Spanje). Varro bleef in zijn provincie, terwijl Afranius en Petreius hun krachten in Citerior verenigden. Caesars troepen waren gemakkelijk in staat om de Pyreneeën over te steken, maar al snel ontstond er een impasse bij de stad Ilerda. Een tijdlang leed Caesar aan een gebrek aan voorraden, maar uiteindelijk had hij het beste van de gevechten, en in de zomer vroegen Afranius en Petreius om overgave. Opnieuw was Caesar genereus. De twee commandanten mochten vertrekken (naar Pompeius gaan) en hun leger werd ontbonden. Caesar trok op tegen Varro, maar zijn leger stortte ook in toen Caesar naderde, en Varro werd gedwongen zich over te geven.

Elders ging het niet zo goed met Caesar. Een van zijn aanhangers, G. Scribonius Curio, verdreef Cato uit Sicilië en viel toen Afrika binnen, dat in handen was van Attius Varus. Curio won een eerste slag bij Utica en belegerde vervolgens de stad, maar hij werd toen verslagen en gedood door koning Juba van Numidia in de slag bij de Bagradas-rivier (24 juli 49 v.Chr.). De provincie Afrika bleef tot de laatste slag van de oorlog in Republikeinse handen.

In de herfst van 49 v. Chr. keerde Caesar terug naar Rome, waarbij hij onderweg de overgave van Massilia dwong. Zijn belangrijkste taak in Rome was ervoor te zorgen dat hij werd gekozen als een van de consuls voor 48 C. Zijn eerste probleem was dat alleen de bestaande consuls de verkiezingen konden leiden, en zij waren bij Pompey in Griekenland. M. Lepidus vond een oplossing. Caesar werd een paar dagen dictator gemaakt en leidde de verkiezingen zelf. Het is niet verwonderlijk dat hij werd gekozen, samen met P. Servilius Isauricus. Caesar herstelde vervolgens de rechten van de zonen van de slachtoffers van Sulla's verboden, en riep een aantal mensen terug die door Pompeius waren veroordeeld. Hij probeerde ook een schuldencrisis het hoofd te bieden, voordat hij na elf dagen naar Brundisium vertrok om de oorlog tegen Pompeius te hervatten.

Pompey en Griekenland, 49-48 v.Chr

Terwijl Caesar campagne voerde in Spanje, was de senaat in ballingschap naar Thessaloniki verhuisd. Pompey concentreerde zich op het bijeenbrengen van een zo groot mogelijk leger. Twee legioenen werden opgevoed door Lentulus Crus in Azië, en twee kwamen uit Syrië onder Metellus Scipio. Meer troepen werden geleverd door de klantkoningen van Rome in het oosten, van wie velen hun positie te danken hadden aan Pompeius. Pompey had ook een machtige vloot, onder Bibulus, de co-consul en rivaal van Caesar in 59 voor Christus. Pompey's troepen waren in staat om Curicta te veroveren in Illyria, dat werd vastgehouden door de mannen van Caesar, maar werden afgeslagen bij Salonae.

Ondanks Bibulus' beste inspanningen, slaagde Caesar erin om met zeven legioenen naar Griekenland over te steken, maar de rest van zijn leger, onder Marcus Antonius, zat vast in Brundisium. Pas na de dood van Bibulus door natuurlijke oorzaken in het begin van 48 v.Chr. kon Antonius oversteken naar Illyrië om zich bij Caesar te voegen, maar zijn vloot werd langs Caesar en Pompeius geveegd en moest aan de andere kant van Pompeius' mannen landen. De twee legers raakten toen betrokken in een 'race naar de zee' rond Dyrrhachium, waarbij Pompeius probeerde een zo groot mogelijk gebied veilig te stellen. De twee partijen vestigden zich toen in het beleg van Dyrrhachium (maart-mei 48 v.Chr.). Dit eindigde in een zeldzame tegenslag voor Caesar. Pompey deed twee pogingen om door de belegeringslinies te breken, waarvan de tweede succesvol genoeg was om Caesar te dwingen het beleg op te heffen (slag bij Dyrrhachium, 20 mei 48 v.Chr.).

Caesars volgende zet was om naar het oosten door Griekenland te trekken om zijn legaat Domitius Calvinus te steunen, die werd bedreigd door de legioenen van Metellus Scipio die uit Syrië kwamen. Pompey had twee keuzes: hij had de kans kunnen nemen om terug te keren naar Italië en te proberen Rome terug te winnen, of hij kon Caesar volgen.Hij besloot de oorlog niet terug naar Italië te nemen en volgde Caesar.

Caesar en Calvinus ontmoetten elkaar al snel en gingen toen oostwaarts naar Thessalië. Onderweg belegerden ze snel Gomphi, aan de westelijke grens van Thessalië, waar hun troepen de stad plunderden. De andere steden in Thessalië openden hun poorten voor Caesar.

Pompey kwam nu onder druk te staan ​​van de optimaliseert, zijn meer conservatieve aanhangers, die hem volledig vertrouwden. Pompey was zich ervan bewust dat Caesar zich in Griekenland nog steeds in een moeilijke positie bevond en had hem liever uitgeput, maar in plaats daarvan werd hij gedwongen de strijd aan te bieden. De resulterende slag bij Pharsalus (9 augustus 48 v.Chr.) maakte effectief een einde aan elke realistische kans op een Republikeinse overwinning in de burgeroorlog. Ondanks dat hij in de minderheid was, behaalde Caesar een grote overwinning. Pompey ontsnapte, maar Domitius Ahenobarbus werd gedood in de strijd. In de nasleep van de slag verbrandde Caesar de correspondentie van Pompeius en bood aan om iedereen die hem om vergiffenis vroeg gratie te verlenen. Onder degenen die een toevallige partij kozen, was M. Brutus, die later een van zijn moordenaars zou zijn. Cicero besloot ook op te geven en keerde terug naar Italië, waar hij enige tijd vertraging had op Brundisium.

De weinige overgebleven Republikeinse leiders vluchtten naar Noord-Afrika. De zonen van Cato en Pompeius gingen naar Cyrenaica, net ten westen van Egypte, waar ze hoopten Pompeius te ontmoeten. Pompey zelf ging naar Lesbos, waar hij zich bij zijn vrouw voegde en besloot toen naar Egypte te gaan, waar hij verwachtte gesteund te worden door de jonge koning Ptolemaeus XIII. In plaats daarvan werd hij vermoord op bevel van de adviseurs van de jonge koning toen hij op de Egyptische kust landde.

Drie dagen later, op 2 oktober 48 voor Christus, arriveerde Caesar in Egypte, aan het begin van een noodlottig verblijf. Hij kwam terecht in het midden van een venijnig geschil tussen de mederegeerders, de 21-jarige Cleopatra VII Philopater en haar jongere broer-man Ptolemaeus XIII Theos Philopator (de Ptolemaeën hadden de Egyptische gewoonte van het huwelijk binnen de koninklijke familie overgenomen). Caesar nam zijn intrek in het koninklijk paleis en kondigde aan dat hij zou gaan arbitreren in de burgeroorlog. Aanvankelijk deelde hij het paleis met Ptolemaeus, terwijl Cleopatra de toegang tot hem werd ontzegd. Beroemd kreeg ze toegang tot Caesar door zich te verstoppen in een opgerold tapijt, dat hem werd aangeboden.

Caesar werd gewonnen door het dramatische gebaar en koos de kant van Cleopatra (negen maanden later werd hun zoon Caesarion geboren). Ptolomy was woedend en stormde het paleis uit. De twee ondermaatse legioenen van Caesar werden al snel belegerd door het grotere leger van Ptolomy, ondersteund door de bevolking van Alexandrië, toen de meest indrukwekkende stad ter wereld. Het beleg van Alexandrië duurde voort tot in maart 47 voor Christus, toen versterkingen uiteindelijk Egypte bereikten. Dit was een geallieerde leger onder leiding van Mithridates van Pergamum. De gecombineerde Romeinse troepen waren in staat om de belegerende troepen te verslaan (slag om de Nijl). Ptolomy verdronk tijdens de slag.

Caesar bleef waarschijnlijk nog een paar maanden in Egypte na de slag, om met de inmiddels hoogzwangere Cleopatra een riviertocht over de Nijl te maken. Cleopatra kreeg een andere co-monarch, haar nog jongere broer Ptolomy XIV, ondersteund door drie legioenen.

Tijdens het lange beleg van Alexandrië was de situatie in de rest van het Romeinse Rijk tegen Caesar gekeerd. Cato was naar het westen verhuisd naar de provincie Afrika, waar hij en de andere overlevende Republikeinse leiders erin waren geslaagd een machtig leger op de been te brengen. In Italië maakte Marcus Antonius zichzelf impopulair. Nadat Pharsalus Caesar voor een jaar tot dictator was benoemd, tot 47 v.Chr. Antony diende als zijn plaatsvervanger (meester van het paard). Hij moest Rome verlaten om een ​​muiterij in Campanië aan te pakken, en terwijl hij weg was, begon Dolabella, toen een van de tribune van het plebs, campagne te voeren voor schuldverlichting, wat wanorde veroorzaakte in Rome. Antony herstelde met geweld de orde en verloor een groot deel van zijn eerdere populariteit.

Het meest directe probleem deed zich voor in Klein-Azië. Aan het einde van de mithridatische oorlogen was Pharnaces, de zoon van Mithridates de Grote, overgelaten aan de heerschappij van de Cimmerische Bosporus (de Krim). Hij besloot nu te profiteren van de Romeinse burgeroorlog om het oude koninkrijk van zijn vader binnen te vallen. Hij versloeg Domitius Calvinus in Nicopolis en leek even een bedreiging te vormen voor het Romeinse gezag.

Caesar elimineerde snel de dreiging. Van Egypte verhuisde hij naar Antiochië en Syrië, en vervolgens naar Klein-Azië. Bij Zela versloeg hij gemakkelijk Pharnaces, wat hem ertoe bracht een van zijn beroemdste opmerkingen te maken: Ik kwam, ik zag, ik overwon (Ik kwam, ik zag, ik overwon). Later zou hij het gemak van zijn overwinning op Pharnaces gebruiken om de betekenis van Pompeius' overwinningen op Mithridates te ondermijnen.

Nadat hij Pharnaces had verslagen, keerde Caesar terug naar Rome. Hij loste de muiterij in Campanië snel op, mede door de soldaten nadrukkelijk als burgers te noemen en niet als medesoldaten. Hij hield zich bezig met de verkiezingen voor 47 v.Chr. (vrij laat) en voor 46 v.Chr. (vrij vroeg), en werd consul voor 46 v.Chr.

Afrika, 46 v.Chr

De Republikeinen hadden nu een aanzienlijke kracht in Afrika. Cato was de leidende geest, maar de voormalige consul Metellus Scipio was de officiële leider van de Republikeinen en Labienus de belangrijkste militaire figuur. Ze hadden ook toegang tot de marine-eskaders van Pompeius en de steun van koning Juba. De Republikeinen stonden in contact met aanhangers in Spanje, waar Caesars gouverneur Q. Cassius zich bijna universeel impopulair had gemaakt.

Laat in 48 v. Chr. bereidde Caesar zich voor om naar Afrika te vertrekken. Een poging om hem te vertragen werd gedaan door een haruspex, een van de waarzeggers van Rome, die beweerde dat er een ramp zou volgen als Caesar vóór de zonnewende zou vertrekken. Caesar negeerde dit en vertrok op 25 december uit Rome, enkele weken voor de zonnewende op de dan geldende kalender.

Caesar had een moeilijke aankomst in Afrika. Hij werd al snel aangevallen door een groter leger onder Labienus, in een kostbare veldslag bij Ruspina. Caesar werd geholpen door Bocchus van Mauretanië en P. Sittius, een Romein die onder Bocchus diende, die het koninkrijk van Juba binnenviel. Caesar was ook in staat om propaganda te gebruiken, waarbij hij zijn vijanden afbeeldde als het werktuig van een barbaarse koning, om enkele van de Republikeinen ervan te overtuigen naar hem te deserteren. Caesar belegerde toen de stad Thapsus. De Republikeinen probeerden het beleg op te heffen, maar leden in plaats daarvan een zware nederlaag in de resulterende slag bij Thapsus.

Nadat hij Thapsus had ingenomen, rukte Caesar op naar de Republikeinse basis in Utica. Cato besefte nu dat zijn zaak hopeloos was. Nadat hij ervoor had gezorgd dat iedereen die wilde ontsnappen was ontsnapt, pleegde hij zelfmoord en ontzegde hij Caesar de kans om hem gratie te verlenen. Metellus Scipio werd onderschept tijdens een poging om Spanje te bereiken en pleegde zelfmoord. Juba pleegde zelfmoord na de slag bij Thapsus. De twee zonen van Labienus en Pompey ontsnapten echter naar Spanje, waar ze zich wisten te vestigen.

Caesar bracht een korte tijd door met het reorganiseren van Afrika. Juba's koninkrijk werd gesplitst, een deel ging naar Sittius en de Mauretaniërs, en de rest werd een Romeinse provincie. Verschillende gevangenen, die gratie hadden gekregen maar hun woord hadden gebroken om niet meer te vechten, werden geëxecuteerd. Daarna keerde hij terug naar Rome.

Spanje, 45 v.Chr

Caesar was eind juli terug in Rome, aan het begin van zijn langste verblijf tijdens de burgeroorlog. Een deel van zijn tijd besteedde hij aan de voorbereiding van de viering van vier opeenvolgende triomfen, ter gelegenheid van zijn overwinningen in Gallië, Egypte, Pharnaces en Juba. Onder de tentoongestelde vijandelijke leiders waren Vercingetorix, Cleopatra's jongere zus Arsineo en Juba's vier jaar oude zoon. Alleen Vercingetorix werd na de triomf geëxecuteerd.

Tegen het einde van 46 v.Chr. vertrok Caesar opnieuw naar Spanje, met een veteranenlegioen mee. Deze keer was hij minder vergevingsgezind. De rebellen werden behandeld als onvergeeflijke vijanden en beide partijen pleegden wreedheden. Bij een gelegenheid omzoomden Caesars mannen hun vestingwerken met de afgehakte hoofden van hun vijanden.

Cn Pompeius, de oudste zoon van Pompeius, bezorgde Caesar wat problemen door te weigeren een veldslag te riskeren. Maar uiteindelijk werd hij gedwongen te vechten, bij Munda. Dit was een van Caesars moeilijkste gevechten, maar hij was in staat om zijn mannen te motiveren om door te vechten en behaalde uiteindelijk een verpletterende overwinning. Labienus sneuvelde tijdens de slag, en Cn Pompeius een paar dagen later. Sextus Pompeius wist te ontsnappen en zou later een doorn in het oog van het Tweede Triumviraat blijken te zijn, maar de strijd maakte effectief een einde aan de Grote Burgeroorlog.

Caesar keerde in oktober 45 voor Christus terug naar Rome. Inmiddels lijkt zijn politieke oordeel te zijn afgegleden. Hij vierde nog een triomf, dit keer voor zijn overwinning op mede-Romeinen. Er waren aanwijzingen dat hij overwoog om zichzelf koning te maken, en hij had zichzelf tot dictator voor het leven benoemd. Zijn acties begonnen veel van zijn voormalige aanhangers ongerust te maken, evenals zijn vergeven vijanden. Op de Ides van maart, 15 maart 44 voor Christus, werd Caesar vermoord tijdens een Senaatsvergadering, drie dagen voordat hij zou vertrekken voor een invasie van Parthia.

Het onmiddellijke resultaat van de moord was het hernieuwde uitbreken van de burgeroorlog. Dit viel in twee duidelijke fasen. De eerste zag de Senaat, ondersteund door Caesars erfgenaam Octavianus, vechten tegen Marcus Antonius, Caesars meester van het paard. Hoewel Antony werd verslagen, werden beide consuls voor het jaar gedood. In de nasleep van de gevechten wisselde Octavianus van kant. Antony, Octavian en Lepidus vormden het Tweede Triumviraat, een veel formelere regeling dan het Eerste Triumviraat.

In de tweede fase staken Octavianus en Antony over naar Griekenland om de bevrijders aan te vallen, de moordenaars van Caesar die gedwongen waren Italië te ontvluchten nadat hun acties niet de algemene goedkeuring kregen die ze hadden verwacht. De twee belangrijkste Bevrijders, Crassus en Brutus, pleegden zelfmoord na respectievelijk de Eerste slag van Philippi en de Tweede slag van Philippi, waardoor Octavianus, Antony en Lepidus de Romeinse wereld onder hen verdeelden.

In de derde fase streden Octavianus en Antony om de controle over de hele Romeinse wereld. Uiteindelijk brak deze rivaliteit uit in een openlijke oorlogvoering. Octavianus stak over naar de Balkan en versloeg de legers van Antonius en Cleopatra in de zeeslag van Actium. Antony en Cleopatra vluchtten naar Egypte, waar ze uiteindelijk zelfmoord pleegden om te voorkomen dat ze in Octavianus' handen zouden vallen. Dit gaf Octavianus onbetwiste controle over de Romeinse wereld. Hij bleek een veel bekwamer politicus te zijn dan Caesar, of zelfs de meeste van zijn rivalen, en slaagde erin een systeem op te zetten waarin hij de realiteit van macht had, terwijl hij de Senaat aan zijn kant hield. Hij werd beloond met de titel Augustus en werd de eerste Romeinse keizer.

Brutus - Caesars moordenaar, Kirsty Corrigan. Een goed uitgebalanceerde biografie van Brutus, een van de meer consistente verdedigers van de Romeinse Republiek, en beroemd een van de moordenaars van Caesar op de Ides van maart. Schildert een beeld van een man van over het algemeen hoge morele standaarden (met enkele gebreken in financiële zaken), maar ook van een al te optimistische samenzweerder, die geen realistische plannen maakte voor de nasleep van de moord. Doet goed werk om de tamelijk obscure vroege jaren van Brutus te traceren, evenals onderscheid te maken tussen latere legendes en historisch waarschijnlijke gebeurtenissen [lees volledige recensie]

Mark Antony - Een eenvoudige botte man, Paolo de Ruggiero. Leuk om een ​​biografie te hebben die op zichzelf is gewijd aan Marcus Antonius in plaats van als onderdeel van het verhaal van iemand anders, maar houd er rekening mee dat de auteur erg bevooroordeeld is ten gunste van Marcus Antonius en het bewijsmateriaal nogal verruimt om zijn zaak te verdedigen. Leesbaar en de auteur kent zijn bronnen, maar zou beter zijn zonder de vooringenomenheid. [lees volledige recensie]

Wetenschappelijke studies

De interesse in het bestuderen van het oude Rome ontstond vermoedelijk tijdens het tijdperk van de Verlichting in Frankrijk. Charles Montesquieu schreef een werk " Reflections on the Causes of the Grandeur and Declension of the Romans ". Het eerste grote werk was De geschiedenis van het verval en de val van het Romeinse rijk door Edward Gibbon, die de periode omvatte van het einde van de 2e eeuw tot de val van het Byzantijnse rijk in 1453. Net als Montesquieu bracht Gibbon veel eer aan de deugd van Romeinse burgers. Barthold Georg Niebuhr was een grondlegger van de kritiek en schreef: De Romeinse geschiedenis, gedragen tot de Eerste Punische oorlog. Niebuhr heeft een poging gedaan om de manier waarop de Romeinse traditie verscheen te bepalen. Volgens hem hadden de Romeinen, net als andere mensen, een historisch ethos dat vooral in de adellijke families bewaard was gebleven. Tijdens de Napoleontische periode het werk met de titel De geschiedenis van de Romeinen van Victor Duruy verscheen. Het benadrukte de destijds populaire keizersnede. Geschiedenis van Rome, Romeins staatsrecht en Corpus Inscriptionum Latinarum, allemaal door Theodor Mommsen, werden zeer belangrijke mijlpalen. Later het werk Grootsheid en verval van Rome door Guglielmo Ferrero werd gepubliceerd. Het Russische werk О´x447´x435´x440´x43A´x438 ´x43F´x43E ´x438´x441´x442´x43E´x440´x438´x438 ´x440´x438´x43C´x441´x43A´x43E´x433´x43E з´x435´x43C´x43B´x435´x432´x43B´430´x434´x435´x43D´438´x44F, ´x43F´440´x435´x438´x43C´x443´x449´x435´x441´x442´ x432&x435&x43D&x43D&x43E в эпоху Империи (De contouren van de geschiedenis van het Romeinse landbezit, voornamelijk tijdens het keizerrijk) door Ivan Grevs bevatte informatie over de economie van Pomponius Atticus, een van de grootste landeigenaren tijdens het einde van de Republiek.


Bekijk de video: Waar ging het Romeinse rijk aan ten onder? 55 (Januari- 2022).