Geschiedenis Podcasts

Robert E. Lee

Robert E. Lee


We are searching data for your request:

Forums and discussions:
Manuals and reference books:
Data from registers:
Wait the end of the search in all databases.
Upon completion, a link will appear to access the found materials.


Wat Robert E. Lee in 1858 aan The Times schreef over slavernij

Op een dag in januari, een paar jaar voor de burgeroorlog, schreef Robert E. Lee aan The New York Times om correctie te vragen.

De man die de hoogste Zuidelijke generaal zou worden, probeerde het record recht te zetten over de slaven op het landgoed van zijn vrouw in Virginia, en over de laatste wensen van een stervende slaveneigenaar.

Hij schreef dat de mensen die tot slaaf waren gemaakt op het eigendom van zijn familie, in wat toen bekend stond als Alexandria County, niet "naar het zuiden werden verkocht", zoals was gemeld. En hij suggereerde dat hij ze binnen vijf jaar zou bevrijden.

De brief is een van de vele die Lee heeft geschreven en die licht werpt op zijn gedachten over slavernij. Historici zijn met elkaar in botsing gekomen - en botsen nog steeds - over de kracht van zijn steun voor het systeem van dwangarbeid dat miljoenen mensen generaties lang in slavernij heeft gehouden.

Nu standbeelden van Lee en andere Zuidelijke leiders de focus zijn van een intens verhit nationaal debat, is de kwestie bijzonder relevant.

"Hij was geen pro-slavernij-ideoloog", zei Eric Foner, historicus van de burgeroorlog, auteur en hoogleraar geschiedenis aan de Columbia University, over Lee. "Maar ik denk dat het net zo belangrijk is dat hij, in tegenstelling tot sommige blanke zuiderlingen, zich nooit uitsprak tegen slavernij."

Toen Lee zijn brief aan The Times schreef, was hij een ervaren officier van het Amerikaanse leger die optrad als de uitvoerder van het testament van zijn schoonvader. Zijn vrouw, Mary Anna Custis Lee, een afstammeling van Martha Washington, had onlangs het landgoed van haar vader, Arlington House, geërfd, samen met de slaven die daar woonden.

In zijn testament zei de vader van mevrouw Lee, George Washington Parke Custis, dat zijn slaven vijf jaar na zijn dood moesten worden vrijgelaten.

Maar een artikel dat voor het eerst werd gepubliceerd door The Boston Traveler en herdrukt in The Times op 30 december 1857, beweerde dat de slaven "zullen worden overgeleverd aan hopeloze slavernij tenzij er iets kan worden gedaan" omdat de erfgenamen van de heer Custis niet wilden vrijkomen hen.

Afbeelding

Er stond ook in dat de heer Custis, terwijl hij stierf, zijn slaven vertelde dat ze onmiddellijk moesten worden vrijgelaten, in plaats van vijf jaar later.

Lee daagde dat account uit. In zijn brief aan The Times zei hij dat "er geen wens is van de kant van de erfgenamen om de uitvoering van het testament te voorkomen". En hij zei dat de heer Custis, die tijdens zijn laatste dagen "constant werd bijgewoond" door familieleden, nog nooit had gehoord dat hij zijn slaven onmiddellijke vrijheid verleende.

The Times publiceerde Lee's brief op 8 januari 1858 (hoewel de brief zelf, kort na nieuwjaar geschreven, ten onrechte gedateerd 1857 lijkt te zijn) en zei dat het "blij" was om in deze kwestie gecorrigeerd te worden.

De oorlog kwam drie jaar later.

Lee sloot zich aan bij de secessionisten in april 1861. Hij verliet Arlington House en het landgoed werd uiteindelijk ingehaald door Union-soldaten. (De doden werden begraven op het terrein, dat later de plaats van de Arlington National Cemetery zou worden.) In de loop van het conflict werden veel slaven verhuurd of ontsnapten uit het pand.

In 1862 diende Lee, in overeenstemming met de wil van de heer Custis, een vrijlatingsakte in om de slaven te bevrijden in Arlington House en op nog twee plantages die de heer Custis bezat, waarbij hij individueel meer dan 150 van hen noemde. En in januari 1863 vaardigde president Abraham Lincoln de emancipatieproclamatie uit, waarin hij verklaarde dat alle mensen die als slaven worden vastgehouden in de opstandige staten "vrij zijn en voortaan vrij zullen zijn".

Van alle brieven van Lee die door de jaren heen door archivarissen en historici zijn verzameld, werd een van de meest bekende in 1856 aan zijn vrouw geschreven. als een instelling, is een moreel en politiek kwaad in elk land”, schreef hij.

Maar hij voegde eraan toe dat slavernij "een groter kwaad was voor de blanke man dan voor het zwarte ras" in de Verenigde Staten, en dat de "pijnlijke discipline die ze ondergaan, noodzakelijk is voor hun onderwijs."

Het artikel uit 1857 in The Times merkte op dat de eigen stemmen van slaven ontbraken in het verhaal van de laatste wensen van de heer Custis. Er stond dat toen hij zijn slaven vertelde dat ze zouden worden vrijgelaten, "er geen blanke man in de kamer was, en de getuigenis van negers zal niet voor de rechtbank worden gehoord."

Maar jaren later, in 1866, gaf een voormalige slaaf in Arlington House, Wesley Norris, zijn getuigenis voor de National Anti-Slavery Standard. De heer Norris zei dat hij en anderen in Arlington inderdaad door de heer Custis te horen hadden gekregen dat ze na zijn dood zouden worden vrijgelaten, maar dat Lee hen had gezegd nog vijf jaar te blijven.

Dus meneer Norris zei dat hij, een zus en een neef in 1859 probeerden te ontsnappen, maar werden gepakt. "We werden stevig aan palen vastgebonden door een heer Gwin, onze opzichter, die door generaal Lee werd bevolen ons tot aan de taille te strippen en ons elk vijftig zweepslagen te geven, behalve mijn zus, die er maar twintig kreeg," zei hij.

En toen de opzichter weigerde de zweep te hanteren, trad een agent op, zei meneer Norris. Hij voegde eraan toe dat Lee de agent had verteld om 'het goed te doen'.

Dr. Foner zei dat Lee na de oorlog geen voorstander was van rechten voor zwarte burgers, zoals het stemrecht, en grotendeels zweeg over geweld gepleegd door blanke supremacisten tijdens Wederopbouw.

De generaal maakte echter bezwaar tegen het idee om Zuidelijke monumenten op te richten en schreef in 1869 dat het verstandiger zou zijn om “de wonden van de oorlog niet open te houden, maar het voorbeeld te volgen van die naties die probeerden de sporen van burgeroorlog uit te wissen. ”


Robert E. Lee

Robert Edward Lee, geboren uit de Revolutionaire Oorlogsheld Henry "Light-Horse Harry" Lee in Stratford Hall, Virginia, leek voorbestemd voor militaire grootsheid. Ondanks de financiële moeilijkheden waardoor zijn vader naar West-Indië vertrok, kreeg de jonge Robert een aanstelling bij de Militaire Academie van de Verenigde Staten in West Point, waar hij als tweede afstudeerde in de klas van 1829. Twee jaar later trouwde hij met Mary Anna Randolph Custis, een afstammeling van de geadopteerde zoon van George Washington, John Parke Custis. Maar met al zijn militaire afkomst had Lee nog geen voet op een slagveld gezet. In plaats daarvan diende hij zeventien jaar als officier in het Corps of Engineers, waar hij toezicht hield op en inspecteerde bij de bouw van de kustverdediging van het land. Dienst tijdens de oorlog van 1846 met Mexico bracht daar echter verandering in. Als lid van de staf van generaal Winfield Scott onderscheidde Lee zich door drie brevetten voor dapperheid te verdienen en uit het conflict te komen met de rang van kolonel.

Van 1852 tot 1855 diende Lee als inspecteur van West Point en was daarom verantwoordelijk voor het opleiden van veel van de mannen die later onder hem zouden dienen - en degenen die zich tegen hem zouden verzetten - op de slagvelden van de burgeroorlog. In 1855 verliet hij de academie om een ​​positie in de cavalerie in te nemen en in 1859 werd hij opgeroepen om de aanval van de abolitionist John Brown bij Harpers Ferry neer te leggen.

Vanwege zijn reputatie als een van de beste officieren in het Amerikaanse leger, bood Abraham Lincoln Lee in april 1861 het bevel over de federale strijdkrachten aan. Lee weigerde en diende zijn ontslag in bij het leger toen de staat Virginia zich op 17 april afscheidde, met het argument dat hij niet tegen zijn eigen volk kon vechten. In plaats daarvan accepteerde hij de commissie van een generaal in het nieuw gevormde Zuidelijke leger. Zijn eerste militaire betrokkenheid bij de burgeroorlog vond plaats in Cheat Mountain, Virginia (nu West Virginia) op 11 september 1861. Het was een overwinning van de Unie, maar Lee's reputatie weerstond de publieke kritiek die volgde. Hij diende als militair adviseur van president Jefferson Davis tot juni 1862, toen hij het bevel kreeg over het omstreden leger van de gewonde generaal Joseph E. Johnston op het schiereiland van Virginia.

Lee hernoemde zijn bevel tot het Leger van Noordelijk Virginia, en onder zijn leiding zou het het beroemdste en meest succesvolle van de Zuidelijke legers worden. Deze zelfde organisatie pochte ook enkele van de meest inspirerende militaire figuren van de Confederatie, waaronder James Longstreet, Stonewall Jackson en de flamboyante cavalier J.E.B. Stuart. Met deze vertrouwde ondergeschikten voerde Lee het bevel over troepen die voortdurend hun in het blauw geklede tegenstanders mishandelden en hun generaals in verlegenheid brachten, ongeacht de kansen.

Maar ondanks het verijdelen van verschillende pogingen om de Zuidelijke hoofdstad te veroveren, erkende Lee dat de sleutel tot het uiteindelijke succes een overwinning op noordelijke bodem was. In september 1862 lanceerde hij een invasie in Maryland in de hoop de focus van de oorlog te verleggen van Virginia. Maar toen de commandant van de Unie, George McClellan, een misplaatst bericht ontdekte waarin het invasieplan werd beschreven, ging het verrassingselement verloren en stonden de twee legers tegenover elkaar in de slag bij Antietam. Hoewel zijn plannen niet langer een geheim waren, slaagde Lee er toch in om McClellan op 17 september 1862 tot een patstelling te bevechten. Na de bloedigste eendaagse slag van de oorlog, dwongen zware verliezen Lee zich terug te trekken onder de dekking van de duisternis. De rest van 1862 werd besteed aan de defensieve, het pareren van Union-stoten in Fredericksburg en, in mei van het volgende jaar, Chancellorsville.

De meesterlijke overwinning bij Chancellorsville gaf Lee veel vertrouwen in zijn leger en de rebellenleider werd opnieuw geïnspireerd om de strijd op vijandige bodem aan te gaan. Eind juni 1863 begon hij een nieuwe invasie van het noorden, waarbij hij de gastheer van de Unie ontmoette op het kruispunt van de stad Gettysburg, Pennsylvania. Drie dagen lang viel Lee het federale leger onder George G. Meade aan in wat de beroemdste slag van de hele oorlog zou worden. Lee was gewend om de Yankees te zien rennen in het aangezicht van zijn agressieve troepen en viel sterke stellingen van de Unie op hoge grond aan. Deze keer gaven de Federals echter geen krimp. De Zuidelijke oorlogsinspanning bereikte zijn hoogtepunt op 3 juli 1863 toen Lee een massale frontale aanval beval tegen het centrum van Meade, aangevoerd door Virginians onder generaal-majoor George E. Pickett. De aanval die bekend staat als de aanval van Pickett was een mislukking en Lee, die inzag dat de strijd verloren was, beval zijn leger zich terug te trekken. Hij nam de volledige verantwoordelijkheid voor de nederlaag en schreef Jefferson Davis om zijn ontslag aan te bieden, wat Davis weigerde te accepteren.

Na de gelijktijdige overwinningen van de Unie in Gettysburg en Vicksburg, Mississippi, nam Ulysses S. Grant het bevel over de federale legers op zich. In plaats van Richmond het doel van zijn campagne te maken, koos Grant ervoor om de talloze middelen die hij tot zijn beschikking had te richten op het vernietigen van Lee's leger van Noord-Virginia. In een meedogenloze en bloedige campagne sloeg de federale moloch de te weinig geleverde rebellenband neer. Ondanks zijn vermogen om Grant met bloed te laten boeten voor zijn agressieve tactieken, was Lee gedwongen het initiatief over te dragen aan zijn tegenstander, en hij erkende dat het einde van de Confederatie slechts een kwestie van tijd was. Tegen de zomer van 1864 waren de Zuidelijken gedwongen tot een loopgravenoorlog buiten Petersburg. Hoewel president Davis de Virginiaanse opperbevelhebber van alle Zuidelijke strijdkrachten in februari 1865 noemde, werd Lee slechts twee maanden later, op 9 april 1865, gedwongen zijn vermoeide en uitgeputte leger over te geven aan Grant in Appomattox Court House, waarmee hij effectief een einde maakte aan de Burgeroorlog.

Lee keerde voorwaardelijk terug naar huis en werd uiteindelijk de president van Washington College in Virginia (nu bekend als Washington en Lee University). Hij bleef in deze positie tot aan zijn dood op 12 oktober 1870 in Lexington, Virginia.


Inhoud

Het landhuis werd gebouwd in opdracht van George Washington Parke Custis, de stiefkleinzoon en geadopteerde zoon van George Washington en enige kleinzoon van Martha Custis Washington. Custis werd een prominente inwoner van een gebied dat toen bekend stond als Alexandria County, destijds een deel van het District of Columbia.

Arlington House werd gebouwd op een hoog punt op een landgoed van 445 ha dat Custis' vader, John Parke Custis, in 1778 had gekocht en de naam "Mount Washington" [6] had gekregen ("Jacky" Custis stierf in 1781 in Yorktown na de Britse overgave). De jongere Custis besloot in 1802 zijn huis op het terrein te bouwen na de dood van Martha Washington en drie jaar na de dood van George Washington. Na de aankoop van het pand, noemde Custis het "Arlington" naar de hoeve van de familie Custis aan de oostelijke oever van Virginia. [7]

Bijna onmiddellijk begon Custis met de bouw van Arlington House op zijn land. Hij huurde George Hadfield in als architect en bouwde een herenhuis met het eerste voorbeeld van Griekse Revival-architectuur in Amerika. [8] Custis was van plan het landhuis te laten dienen als een levend gedenkteken voor George Washington en een plek voor zijn verzameling George Washington-artefacten. Het ontwerp bevatte elementen die vergelijkbaar waren met die van het huis van George Washington, Mount Vernon. [9]

De bouw begon in 1803, elf jaar nadat L'Enfant's plan voor de toekomstige "Federal City" (later "Washington City" genoemd, toen Washington DC) een gebied direct aan de overkant van de Potomac-rivier had aangewezen als de locatie van het "President's House" (later het "Executive Mansion" genoemd, nu het Witte Huis) en het "Congreshuis" (nu het Capitool van de Verenigde Staten). Custis plaatste het gebouw op een prominente heuvel met uitzicht op de Georgetown-Alexandria Turnpike (bij benadering de huidige Eisenhower Drive in Arlington National Cemetery), de Potomac-rivier en de groeiende Washington City aan de andere kant van de rivier. [8] Het herenhuis werd gebouwd met behulp van materialen ter plaatse, hoewel het gebouw werd onderbroken door de oorlog van 1812 (en materiële tekorten nadat de Britten de Amerikaanse hoofdstad hadden platgebrand). De buitenkant van het Custis-herenhuis werd voltooid in 1818. [10]

De noord- en zuidvleugel werden in 1804 voltooid. Het grote middengedeelte en de portiek, met een indrukwekkend front van 43 m lang, werden 13 jaar later voltooid. Het huis heeft twee keukens, een zomer- en een winterkeuken. De meest opvallende kenmerken van het huis zijn de 8 massieve kolommen van de portiek, elk 5 voet (1,5 m) in diameter.

Tot de gasten in het huis behoorden opmerkelijke mensen als Gilbert du Motier, markies de Lafayette, die in 1824 een bezoek bracht (zie: Bezoek van de markies de Lafayette aan de Verenigde Staten). In Arlington experimenteerde Custis met nieuwe methoden van veeteelt en andere landbouw. Het pand omvatte ook Arlington Spring, een picknickplaats aan de oevers van de Potomac die Custis oorspronkelijk voor privégebruik bouwde maar later voor het publiek werd geopend en uiteindelijk als een commerciële onderneming werd geëxploiteerd.

Custis trouwde met Mary Lee Fitzhugh. Hun enige kind dat overleefde naar volwassenheid was Mary Anna Randolph Custis. Robert E. Lee, wiens moeder een nicht was van mevrouw Custis, bezocht Arlington vaak en kende Mary Anna toen ze opgroeiden. Twee jaar na zijn afstuderen aan West Point trouwde luitenant Lee op 30 juni 1831 in Arlington met Mary Anna Custis. Gedurende 30 jaar was Arlington House de thuisbasis van de Lees. Ze brachten een groot deel van hun huwelijksleven door met reizen tussen dienststations van het Amerikaanse leger en Arlington, waar zes van hun zeven kinderen werden geboren. Ze deelden dit huis met Mary's ouders. Na hun dood werden Mary's ouders niet ver van het huis begraven op het land dat nu deel uitmaakt van de Arlington National Cemetery.

De Custises hebben het landgoed van Arlington uitgebreid ontwikkeld. Een groot deel van de steile helling ten oosten van het huis werd een gecultiveerd Engels landschapspark, terwijl een grote bloementuin met een prieel ten zuiden van het huis werd aangelegd en geplant. Ten westen van Arlington House leidden hoog gras en lage inheemse planten een helling af naar een natuurgebied met dicht op elkaar staande bomen die de Custises 'the Grove' noemden. [11] Ongeveer 18 meter ten westen van de bloementuin, bevatte "the Grove" hoge iepen en eiken die een baldakijn vormden. Onder de bomen werd een informele bloementuin aangelegd en onderhouden door de dochters van Custis. [12] Het is niet duidelijk wanneer "the Grove" begon te worden ontwikkeld, maar het was in ieder geval in 1853 aan de gang. [12]

Na de dood van George Washington Parke Custis in 1857, liet hij het landgoed van Arlington na aan Mary Custis Lee voor haar leven en vandaar aan de oudste zoon van de Lees, George Washington Custis Lee. Het landgoed had veel reparatie en reorganisatie nodig, en Robert E. Lee, als uitvoerder van Custis' testament, nam drie jaar verlof van het leger om te beginnen met de noodzakelijke landbouwkundige en financiële verbeteringen.

In april 1861 scheidde Virginia zich af van de Verenigde Staten. Robert E. Lee nam op 20 april 1861 ontslag bij het Amerikaanse leger en trad toe tot het leger van de Zuidelijke staten. [13] Met Arlington House op hoge grond met uitzicht op de hoofdstad, wist de regering van de Verenigde Staten dat het het landhuis moest bezetten of in een onhoudbare militaire positie zou worden achtergelaten. [14] Hoewel Mary Lee niet bereid was om Arlington House te verlaten, geloofde Mary Lee dat haar landgoed spoedig door federale soldaten zou worden bezet en op 14 mei zou worden achtergelaten om bij familieleden te blijven, nadat ze was gewaarschuwd door haar jonge neef William Orton Williams, die toen als assistent van generaal Winfield diende Schot. [15] [16] [17] Legertroepen van de Unie veroverden en bezetten Arlington zonder tegenstand op 24 mei. [18]

In juni 1862 vaardigde het 37e Congres van de Verenigde Staten wetgeving uit die een onroerendgoedbelasting oplegde op alle grond in "opstandige" gebieden van de Verenigde Staten. [19] De 1863-wijzigingen van het statuut vereisten dat deze belastingen persoonlijk werden betaald. [16] [20] Maar Mary Lee, die leed aan ernstige reumatoïde artritis en achter de Zuidelijke linies stond, kon de belasting niet persoonlijk betalen. [20] Het landgoed Arlington werd in beslag genomen wegens niet-betaling van belastingen. Het werd op 11 januari 1864 geveild en de Amerikaanse regering won het onroerend goed voor $ 26.800 ($ 453.095 vandaag). [16] [21]

Tijdens de oorlog kapten troepen van de Union Army veel van de bomen op het landgoed van Arlington, vooral die ten noorden en oosten van Arlington House in en nabij Fort Whipple (ten noorden van het huis) en Arlington Springs (in de buurt van de Potomac-rivier). Er bleven echter een aantal grote bomen over, vooral die in een bebost gebied (nu bekend als Arlington Woods) ten westen van het huis. [22]

In het begin van 1864 waren de militaire begraafplaatsen van Washington, D.C., en Alexandria, Virginia, snel gevuld met oorlogsslachtoffers. Kwartiermeester-generaal van het Amerikaanse leger Montgomery C. Meigs stelde voor om 81 ha van het landgoed Arlington als begraafplaats te gebruiken. [13] De Amerikaanse minister van Oorlog Edwin M. Stanton keurde op 15 juni 1864 de oprichting van een militaire begraafplaats goed, waardoor Arlington National Cemetery werd gecreëerd. [16] [23] Meigs geloofde dat, aangezien Lee verraad had begaan in de beslissing om tegen de Unie te vechten, [24] het ontkennen van Lee gebruik van het herenhuis na de oorlog een ruwe vorm van gerechtigheid was. [25] Meigs besloot dat een groot aantal begrafenissen dicht bij Arlington House moest plaatsvinden om het onleefbaar te maken. Officieren zouden naast de belangrijkste bloementuin ten zuiden van het huis worden begraven, en de eerste begrafenis vond hier plaats op 17 mei. [26] Meigs beval dat medio juni onmiddellijk met extra begrafenissen zou worden begonnen op het terrein van Arlington House. [26] Toen officieren van de Unie in het landhuis klaagden en de begrafenissen tijdelijk stopten, gaf Meigs hun bevel en liet binnen een maand nog eens 44 dode officieren begraven langs de zuid- en oostkant van de belangrijkste bloementuin. [26]

In september 1866 werden de stoffelijke overschotten van 2111 Union- en Confederate-soldaten die sneuvelden tijdens de First Battle of Bull Run, Second Battle of Bull Run en langs de Rappahannock-rivier begraven op het voormalige terrein van "the Grove", ten zuidoosten van het landhuis, onder het Burgeroorlog Onbekenden Monument. [13] [27]

Robert E. Lee deed geen poging om Arlington te bezoeken of zijn titel te herstellen vóór zijn dood in 1870. Mary Lee stierf in 1873, nadat ze het huis nog maar één keer had bezocht, een paar maanden voor haar dood. Ze was te overstuur door zijn toestand en weigerde naar binnen te gaan en vertrok al na enkele ogenblikken. [27]

In april 1874 diende de oudste zoon van Robert E. Lee, George Washington Custis Lee, een aanklacht in tegen de regering van de Verenigde Staten in een rechtbank in Virginia om zijn eigendom terug te krijgen. [18] [28] Custis Lee was een generaal-majoor in de burgeroorlog en werd op 6 april 1865 door de troepen van de Unie gevangengenomen in de slag bij Sailor's Creek (zie David Dunnels White). Een jury oordeelde in het voordeel van Custis Lee, [29] wat leidde tot uitgebreid beroep door beide partijen. In 1882 oordeelde het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten in het voordeel van Lee in Verenigde Staten v. Lee, 106 U. S. 196. De rechtbank oordeelde met een 5-4 meerderheid dat het landgoed in 1864 "illegaal in beslag was genomen" en beval het terug te geven. [30] [31] [32] Maar Lee was minder geïnteresseerd in het verkrijgen van het landgoed dan in een contante vergoeding voor de waarde ervan. Na enkele maanden van moeilijke onderhandelingen kwamen Lee en de federale overheid een verkoopprijs overeen van $ 150.000 ($ 4.166.250 in 2020-dollars). [33] [27] Het congres vaardigde op 3 maart 1883 wetgeving uit die de aankoop financierde. Lee ondertekende de titel op 31 maart en de titeloverdracht werd geregistreerd op 14 mei 1883. [33] [27]

In 1920 veranderde de Algemene Vergadering van Virginia de naam van Alexandria County in Arlington County om een ​​einde te maken aan de voortdurende verwarring tussen Alexandria County en de onafhankelijke stad Alexandrië. De naam Arlington werd gekozen om de aanwezigheid van het landgoed van Arlington weer te geven. [34]

Op 4 maart 1925 nam het 68e congres van de Verenigde Staten openbare resolutie 74 aan, die toestemming gaf voor de restauratie van het Lee Mansion op de Arlington National Cemetery, Virginia. [35] Het Ministerie van Oorlog begon toen Arlington House te restaureren, en het Ministerie van het Leger blijft meer dan de helft van de oorspronkelijke plantage van 450 hectare beheren als Arlington National Cemetery. Echter, enkele jaren nadat het Congres de machtigingswet had aangenomen, negeerde het Ministerie van Oorlog, dat verantwoordelijk was voor het beheer van het huis en het terrein, de wetgeving grotendeels. In tegenspraak met de machtigingswetgeving, heeft het ministerie, grotendeels op aandringen van Charles Moore, de directeur van de United States Commission of Fine Arts, het herenhuis ingericht en geïnterpreteerd voor "de eerste helft van de republiek". Deze beslissing was gedeeltelijk gebaseerd op de populariteit van de Colonial Revival-beweging, die nog steeds populair was in 1925. Het herenhuis werd gerestaureerd in de periode van George Washington Parke Custis en er werden geen meubels meer aanvaard die na 1830 waren vervaardigd. Deze aanpak ontkende de rol en aanwezigheid van Lee bij Arlington.

In 1955 nam het 84e Congres van de Verenigde Staten Public Law 84-107 aan, een gezamenlijke resolutie die het landhuis als het "Custis-Lee Mansion" bestempelde als een permanent gedenkteken voor Robert E. Lee. In de resolutie werd de minister van Binnenlandse Zaken van de Verenigde Staten opgedragen om op het terrein een gedenkplaat op te richten en overheidsarchieven te corrigeren om ze in overeenstemming te brengen met de aanwijzing, "waardoor ervoor wordt gezorgd dat de juiste interpretatie van de geschiedenis zou worden toegepast". [36] Geleidelijk werd het huis ingericht en geïnterpreteerd naar de periode van Robert E. Lee zoals gespecificeerd in de oorspronkelijke wetgeving.

De National Park Service kreeg vanaf 10 juni 1933 jurisdictie over het gebouw en ongeveer 28 acres (11 ha) aangrenzende tuinen (onderscheiden van de begraafplaats). [37]

In 1972 nam het 92e Congres van de Verenigde Staten Public Law 92-333 aan, een wet die Public Law 84-107 wijzigde om het landhuis aan te wijzen als "Arlington House, The Robert E. Lee Memorial". [38]

Een van de minder bekende geschiedenissen over Arlington House betreft de familie Gray, die heeft bijgedragen aan het behoud van de erfenis van George Washington Parke Custis en de familie Lee. Selina Norris Gray, de dochter van Leonard en Sally Norris, was een Arlington-slaaf van de tweede generatie. [39] In 1831 trouwde Selina met Thornton Gray, een mede-Arlington-slaaf, en kreeg uiteindelijk acht kinderen die opgroeiden in Arlington. Met het uitbreken van de burgeroorlog moest de familie Lee hun huis evacueren voordat de troepen van de Unie het pand kwamen bezetten. Hoewel Selina een persoonlijke meid was voor mevrouw Lee, bleven zij en haar familie achter. Voordat ze wegging, liet mevrouw Lee de huissleutels na aan Selina en de verantwoordelijkheid om de schatten van het huis te beschermen. Enkele van deze schatten waren gekoesterde familiestukken die ooit toebehoorden aan de overgrootmoeder van mevrouw Lee, Martha Custis Washington, en president George Washington. [39]

Binnen enkele maanden nadat generaal Irvin McDowell van het leger van de Unie het huis in 1861 bezette, realiseerde Selina zich dat verschillende kostbare erfstukken ontbraken omdat soldaten het pand hadden geplunderd. Toen ze ontdekte dat ook enkele relikwieën uit Washington verdwenen waren, gaf ze generaal McDowell prompt een lijst met de ontbrekende voorwerpen en overtuigde ze hem ervan dat hij erbij betrokken moest worden vanwege het belang van de collectie. Hij beveiligde eerst de zolder- en kelderruimtes om verdere diefstal te voorkomen, en liet vervolgens de resterende Lee-erfstukken naar het Patent Office in Washington, D.C. sturen voor bewaring. [40] Terwijl Selina wordt gecrediteerd voor het redden van de erfstukken en schatten van Arlington House, worden haar kinderen later gecrediteerd voor het helpen herstellen van het huis en het verstrekken van nauwkeurige details over de indeling van het huis, persoonlijke verhalen van de familie Lee, en helpen conserveringsmensen in het begin van de twintigste eeuw.

Tijdens grote restauratiewerkzaamheden aan Arlington House van 1929 tot 1930, leverde de familie Gray nog een belangrijke bijdrage aan de geschiedenis van Arlington County en de natie. Vier van de dochters van Selina en Thornton verstrekten cruciale details over het huis en de inrichting, en hun inbreng bleek van vitaal belang voor de authenticiteit van het project. [40] In 2014 verwierf de National Park Service een zeldzame foto van Selina. [41]

Arlington National Cemetery-uitbreiding Bewerken

In 1995 ondertekenden functionarissen van het Amerikaanse ministerie van Binnenlandse Zaken en het Amerikaanse ministerie van het leger een overeenkomst om van Arlington House, het Robert E. Lee Memorial, een deel van Arlington Woods, dat zich in Section 29 van de NPS op Arlington National Cemetery tussen Arlington House en Fort Myer. [42] De eigendomsoverdracht, waarbij 12 acres (4,9 ha) NPS-land betrokken was, was bedoeld om de begraafplaats in staat te stellen de ruimte voor begrafenissen te vergroten. [43] [44]

Milieuactivisten uitten hun bezorgdheid dat de overeenkomst zou resulteren in de gedeeltelijke vernietiging van de 24 acres (9,7 ha) overblijfsel van een historisch belangrijke stand van inheemse bomen. [45] Niettemin nam het Congres in september 1996 wetgeving aan die de overdracht toestond. [43] [46]

Op 5 juni 2013 heeft het United States Army Corps of Engineers, na 100 openbare opmerkingen te hebben bekeken die het had ontvangen over een concept-milieubeoordeling (EA) voor het uitbreidingsproject van de begraafplaats, een definitieve EA en een ondertekende Finding of No Significant Impact (FONSI) vrijgegeven. ) voor het project. [47] [48] De uiteindelijke EA verklaarde dat van de 905 bomen die moesten worden verwijderd, 771 bomen gezonde inheemse bomen waren met een diameter tussen 6 en 41 inch. [49] [50] Het project zou ongeveer 211 bomen verwijderen uit een gebied van minder dan 2,63 acres (1,06 ha) met daarin een deel van een 145 jaar oud bos dat zich binnen de eigendomsgrenzen bevond van een historisch district dat een nationaal register van Het nominatieformulier van Historic Places voor Arlington House had in 1966 beschreven. [49] [51] Ongeveer 491 bomen zouden worden verwijderd uit een gebied met bomen dat ongeveer 105 jaar oud was. [49] Tijdens een openbare hoorzitting op 11 juli 2013 keurde de National Capital Planning Commission de locatie en bouwplannen voor het project goed. [52]

Studies, beschadigingen en restauraties Bewerken

Van 2003 tot 2007 voerde de National Park Service een archeologische opgraving uit van twee bijgebouwen die ooit de slavenverblijven van Arlington House hadden. [53] In 2009 publiceerde de Park Service rapporten waarin de geschiedenis van de slavenverblijven en de bevindingen van de opgravingen werden beschreven, evenals voorstellen voor de restauratie van de vertrekken. [54]

Van 2007 tot 2013 onderging Arlington House zijn eerste renovatie sinds 1925. [55] In die periode plaatste de National Park Services de meubels van het huis op de Friendship Hill National Historic Site in de buurt van Point Marion, Pennsylvania. [56] De Park Service hield een herinwijdingsceremonie nadat het de renovatie had voltooid en het meubilair aan het huis had teruggegeven. [57]

Arlington House leed aanzienlijke schade tijdens de aardbeving in Virginia in 2011, waardoor de achterhallen en de bovenverdieping moesten worden gesloten in afwachting van een architecturale beoordeling. [58] Op 17 juli 2014 schonk filantroop David Rubenstein $ 12,5 miljoen aan de National Park Foundation (de tak van de National Park Service die geld inzamelt door middel van particuliere bijdragen) om Arlington House, de bijgebouwen en het terrein te renoveren. Het 30 maanden durende project is bedoeld om het landhuis, de gebouwen en het terrein te herstellen zoals ze er in 1860 uitzagen. Het project zal de door de aardbeving beschadigde fundering herstellen en nieuwe binnenverlichting en een modern klimaatbeheersingssysteem toevoegen. Ambtenaren van de National Park Service zeiden dat ze in 2016 waarschijnlijk het Arlington House en de slavenverblijven voor enkele maanden zullen sluiten, waarin het meeste werk zal worden gedaan. [59]

In 1919 werd een replica gebouwd voor de kortstondige Lanier University in Atlanta, ontworpen door architect A. Ten Eyck Brown. Het staat nog steeds op 1140 University Drive NE, en herbergt de Ben H. Zimmerman Religieuze School en de Canterbury School. [60] Arlington Hall, een replica op tweederde schaal van Arlington House, werd in 1939 gebouwd in Robert E. Lee Park in Dallas, Texas. [61]

De façade van het oude administratiegebouw op de nationale begraafplaats van Arlington lijkt op die van Arlington House. Het gebouw ligt 500 voet (150 m) ten westen van Arlington House. [62]


Robert E. Lee Taartgeschiedenis en recept

Ook wel generaal Robert E. Lee Cake genoemd. Een van de beroemdste Zuid-Amerikaanse taarten aller tijden. Het maken van deze cake is absoluut een werk van liefde, want het is niet eenvoudig om te doen. Er zijn veel recepten en veel versies in oude zuidelijke kookboeken (deze cake was enorm populair in de negentiende eeuw). Geen twee autoriteiten lijken het eens te zijn over het ei-gehalte van de cake (variërend van acht tot tien eieren). De kers varieert ook met elk recept.

De Robert E. Lee Cake werd traditioneel beschouwd als een favoriet van de generaal van de burgeroorlog die de zuidelijke troepen leidde in de burgeroorlog, hoewel dit moeilijk te bevestigen is. De meeste bronnen dateren de eerste geschreven versie van Robert E. Lee Cake uit 1879, en generaal Lee stierf in 1870. Een verwijzing in het boek The Robert E. Lee Family Cooking and Housekeeping Book (1997) van Anne Carter Zimmer suggereert dat een recept voor citruslaagcake was bekend in de familie Lee, maar werd nooit opgeschreven.

Deze cake, een cake met sinaasappel- en citroenlaag, is waarschijnlijk gemaakt ter ere van Robert E. Lee (1807-1870), opperbevelhebber van de strijdkrachten van Virginia tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Voor sommige zuiderlingen is hij een bijna goddelijke figuur, voor anderen is hij een paradox.

Na de oorlog werd Lee bijna als verrader berecht, maar alleen zijn burgerrechten werden opgeschort.

1879 – In het kookboek, Housekeeping In Old Virginia Bijdragen van tweehonderdvijftig van Virginia's bekende huisvrouwen, onderscheiden door hun vaardigheden in de culinaire kunst en andere takken van de binnenlandse economie, onder redactie van Marion Cabell Tyree:

Robert E. Lee Taart
Twelve eggs, their full weight in sugar, a half-weight in flour. Bake it in pans the thickness of jelly cakes. Take two pounds of nice “A” sugar, squeeze into it the juice of five oranges and three lemons together with the pulp stir it in the sugar until perfectly smooth then spread it on the cakes, as you would do jelly, putting one above another till the whole of the sugar is used up. Spread a layer of it on top and on sides. – Mrs. G.


Gen. Robert Lee Cake

10 eggs.
1 pound sugar.
1/2 pound flour.
Rind of 1 lemon, and juice of 1/2 lemon.

Make exactly like sponge cake, and bake in jelly-cake tins. Then take the whites of two eggs beat to a froth, and add one pound sugar, the grated rind and juice of one orange, or juice of half a lemon. Spread it on the cakes before they are perfectly cold, and place one layer on another. This quantity makes two cakes. – Mrs. I. H.

1890 – The General Assembly of Virginia passed a law to designate Robert E. Lee’s birthday (January 19th) as a public holiday.

1904 – The legislature added the birthday of Stonewall Jackson to the holiday, and Lee-Jackson Day was born.

1984 – President Ronald Reagan declared the day in honor of Martin Luther King, Jr. Virginia, who since 1978 had celebrated King’s Birthday in conjunction with New Years Day, made the change and simply tacked him onto Lee-Jackson Day. Thus Lee-Jackson-King Day was born.

2000 – Virginia Governor, Jim Gilmore, proposed splitting Lee-Jackson-King Day into two separate holidays, with Lee-Jackson Day to be celebrated the Friday before what would become Martin Luther King Day. The measure was approved and the two holidays are now celebrated separately. Virginians still observe Robert E. Lee Day by partying and making this famous cake.


Robert E. Lee’s Tactics During the Civil War

Although Lee’s purported “tactical genius” was trumped by Grant’s “superior talent in grand strategy,” Lee is famed for his tactical management of battles. He was the tactical victory in several 1862–63 battles and generally performed well on the tactical defensive against Grant in 1864. However, Robert E Lee Tactics proved fatally defective. His tactical defects were that he was too aggressive on the field, he frequently failed to take charge of the battlefield, his battle plans were too complex or simply ineffective, and his orders were too vague or discretionary.

Problems with Robert E Lee’s Tactics

The first problem was that Robert E Lee’s tactics, like his strategy, were too aggressive. Bevin Alexander pointed out that in 1862 alone Lee had “an obsession with seeking battle to retrieve a strategic advantage when it had gone awry or he thought it had.” Thus, at Beaver Dam Creek (Gaines’ Mill), Frayser’s Farm (Glendale), Malvern Hill, and Antietam, he resorted to “desperate, stand-up, head-on battle” that resulted in great losses. “This fixation was Lee’s fatal flaw. It and Lee’s limited strategic vision cost the Confederacy the war.” Elsewhere Alexander concluded, “Lee never understood the revolution that the Minié ball had brought to battle tactics. . . . This tendency to move to direct confrontation, regardless of the prospects of the losses that would be sustained, guaranteed Lee’s failure as an offensive commander.”

Although sometimes creative (particularly when Stonewall Jackson was involved), too often those tactics failed to adequately consider the advantages new weaponry gave to defensive forces. Rifled muskets (ones with grooves rifled in their bores to spin bullets for accuracy) and bullets which expanded in the bores to follow the grooves (Minié balls) greatly increased the accuracy and range of infantry firepower (from 100 yards to between 400 and 1,000 yards), thereby providing the defense with an unprecedented advantage. Fuller called the Civil War “the war of the rifle bullet,” and rifle bullets (primarily Minié balls) accounted for 9 0 percent of the about 214,000 battlefield deaths and 469,000 wounded during the war. This advanced weaponry made assaults increasingly difficult.

Despite the fact that seven of eight Civil War frontal assaults failed, Lee just kept attacking. Battles in which Lee damaged his army with overly aggressive tactics include the Seven Days’ (particularly Mechanicsville, Gaines’ Mill, and Malvern Hill), Second Manassas, Chantilly, Antietam, Chancellorsville, Gettysburg, Rappahannock Station, the Wilderness, and Fort Stedman. Archer Jones pointed to Lee’s periodic misplaced elation when he refused to “quit while he was ahead,” and cited Malvern Hill, Chantilly, the end of Chancellorsville, and Pickett’s Charge as examples.

The North had more advanced weaponry and had it earlier in the war. Its Model 1861 Springfield rifle, with an effective range of 200–400 yards, could kill at a distance of 1,000 yards or more. Most infantrymen (especially Federals) had rifles by sometime in 1862, Union cavalry had breech-loading (instead of muzzle-loading guns) repeating rifles by 1863, and even some Union infantry had these “repeaters” (primarily Spencer rifles) in 1864 and 1865.

Demonstrating this trend, Rhode Islander Elisha Hunt Rhodes experienced an improvement in weaponry during the war. In June 1861 he was first issued one of many muskets that he described as “old-fashioned smooth bore flintlock guns altered over to percussion locks.” Late the following month, when other Rhode Islanders’ enlistments expired after First Bull Run, Rhodes’ unit members traded their smoothbore weapons for Springfield rifles. Three years later, in July 1864 in the Shenandoah Valley, Captain Rhodes wrote: “I have forty of my men armed with Spencer Repeating rifles that will hold seven cartridges at one loading. I have borrowed these guns from the 37th Mass. who are armed with them and have used them for some time.”

Appreciation of the great reliance upon rifles by both sides in the conflict can be gleaned from the following estimates provided by Paddy Griffith in his thought-provoking Battle Tactics of the Civil War. He estimated that the Confederate Government procured 183,000 smoothbore muskets and 439,000 rifles and that the Union obtained 510,000 smoothbores and an astounding 3,253,000 rifles, including 303,000 breechloaders and 100,000 repeaters. The increased effectiveness of breechloaders, rather than muzzleloaders, was demonstrated by Union cavalry on the first day at Gettysburg (July 1, 1863) and by Union defenders on the second day at Chickamauga just two months later.

Musketry and the new lethal force of rifle power accounted for as many as 80 percent of the Civil War’s battlefield casualties. The improved arms gave the defense a tremendous advantage against exposed attacking infantry or cavalry. Use of trenches from 1863 on further increased the relative effectiveness of infantry defenders’ firepower. Similar improvements in artillery ranges and accuracy also aided the defense. Rhodes, for instance, wrote on February 14, 1862: “The 4th Battery ‘C’ 1st Rhode Island Light Artillery came over [to Washington, D.C.] from Virginia this morning and exchanged their brass guns for steel rifle cannon.” The old smooth-bore cannons had ranges of 1,000 to 1,600 yards while the new rifled artillery had ranges of 4,000 to 6,000 yards.

Despite these significant new advantages held by the defense, during battle after battle, Lee frontally attacked and counterattacked with his splendid and irreplaceable troops. Military historian Bevin Alexander asserted that Lee’s obsession with seeking battle and his limited strategic vision lost the war. The short-term results of Lee’s overly aggressive tactics were his troops’ injury, death, and capture the long-term results were dissipation of the South’s finite resources and loss of the war.

Lee was not alone in failing to adequately compensate for the new effectiveness of defensive firepower, but, as the leading general of a numerically inferior army for almost three years, he could not afford to make that mistake. In fact, Lee lost 20.2 percent of his soldiers in battle while imposing only 15.4 percent losses on his opponents. This negative difference in percentage of casualties (4.8 percent) was exceeded among Confederate generals only by Lee’s protégé Hood (19.2 percent casualties minus 13.7 percent difference) and by Pemberton, who surrendered his army at Vicksburg. For example, neither Joseph Johnston (10.5 percent casualties minus 1.7 percent difference), Bragg (19.5 percent casualties minus 4.1 percent difference) nor Beauregard (16.1 percent casualties minus 3.3 percent difference) sacrificed such percentages of their men in unjustified frontal assaults as did Lee. Lee’s statistics substantially improved when he generally went on the defensive—finally and much too late—after the Battle of the Wilderness in early May 1864.

In addition to his aggressiveness, Lee had other tactical problems. His second problem was his failure to take charge on the battlefield. Lee explained his approach to a Prussian military observer at Gettysburg: “I think and work with all my powers to bring my troops to the right place at the right time then I have done my duty. As soon as I order them into battle, I leave my army in the hands of God.” To interfere later, he said, “does more harm than good.” “What Lee achieved in boldness of plan and combat aggressiveness he diminished through ineffective command and control.”

The third problem with Robert E Lee’s tactics was his propensity to devise battle plans which either required impossible coordination and timing or which dissipated his limited strength through consecutive, instead of concurrent, attacks. For example, the Seven Days’ Battle was a series of disasters in which Lee relied upon unrealistic coordination and timing that resulted in Confederate failures and extreme losses. Again, the second and third days at Gettysburg featured three uncoordinated attacks on the Union line by separate portions of Lee’s forces when a simultaneous assault might have resulted in an important Confederate breakthrough or seizure of high ground.

Lee’s fourth tactical problem was that his orders often were too vague or discretionary, an issue discussed more fully below. The pre- Gettysburg orders to Stuart and the Gettysburg Day One orders to Ewell are examples of this problem. In Philip Katcher’s words, “Lee’s failure adequately to order his generals to perform specific actions or discipline them if they failed was probably his greatest character defect. . . . One of his staunchest defenders [Fitzhugh Lee] agreed: ‘He had a reluctance to oppose the wishes of others or to order them to do anything that would be disagreeable and to which they would not consent.[’]” Almost a century ago, George Bruce concluded, “Every order and act of Lee has been defended by his staff officers and eulogists with a fervency that excites suspicion that, even in their own minds, there was need of defense to make good the position they claim for him among the world’s great commanders.”


About the author

Helen Andrews is a senior editor at The American Conservative, and the author of BOOMERS: The Men and Women Who Promised Freedom and Delivered Disaster (Sentinel, January 2021). She has worked at the Washington Examiner en National Review, and as a think tank researcher at the Centre for Independent Studies in Sydney, Australia. She holds a Bachelor of Arts in Religious Studies from Yale University. Her work has appeared in The New York Times, The Wall Street Journal, First Things, The Claremont Review of Books, Hedgehog Review, and many others. You can follow her on Twitter at @herandrews.


Robert E. Lee Jr.: The Legend’s Last Son Followed the Family to War

In a modern painting entitled "Chance Meeting," artist Dan Nance portrays an encounter between General Robert E. Lee and his youngest son and namesake on the Second Manassas Battlefield. (Painting by Dan Nance)

Colin Woodward
August 2019

After serving as a junior officer, ‘Rob’ Lee wrote a renowned chronicle of his father’s life

LT WASN’T EASY LIVING in the shadow of the Confederacy’s greatest general, but Robert E. Lee Jr. had an interesting and accomplished Civil War career. He fought in the artillery and cavalry and rose to the rank of lieutenant. He later became one of his father’s greatest chroniclers through the publication of Recollections and Letters of Robert E. Lee in 1904.

Robert Edward Lee Jr. was the sixth of his parents’ seven children. The youngest of three boys, he was born October 27, 1843, atArlington Plantation, the home of his mother, Mary Anna Randolph Custis Lee, daughter of George Washington Parke Custis, the adopted grandson of George Washington. Rob’s other grandfather was Revolutionary War cavalryman “Light Horse” Harry Lee.

Robert E. Lee Jr. poses as a toddler with his mother, Mary Anna Randolph Custis Lee. (Virginia Museum of History and Culture)

The family’s military tradition had its challenges. As a Regular Army officer, the elder Lee was gone for long periods conducting engineering work on military defenses in Virginia, New York, Maryland, and Georgia. When the Mexican War broke out, Captain Lee served as an engineer in Winfield Scott’s forces. In Recollections and Letters, Rob said his earliest memory of his father was of him returning home from Mexico after an absence of nearly two years. According to Rob, his father didn’t recognize him and kissed Rob’s playmate by accident. It would not be the last time Rob’s father failed to recognize his son.

As was true of the other Lee children, Rob received an excellent education. He first attended school in Baltimore, while his father was serving at Fort Carroll. When Robert E. Lee moved to West Point, N.Y., in 1852 to serve as superintendent of the U.S. Military Academy, Rob followed. Rob remembered his father helping him with Latin and teaching him how to ride a horse. But Rob wrote, “I saw but little of my father after we left West Point” in 1855, when the senior Lee was ordered to St. Louis in preparation for his next assignment out West, chasing Comanche warriors across the hot and arid Texas plains.

Despite his father’s absences, “it was impossible to disobey him,” Rob recalled. “My mother I could sometimes circumvent and at times took liberties with her orders…but exact obedience to every mandate of my father was a part of my life and being.” From November 1857 to February 1860, Robert E. Lee returned to Arlington to settle the estate of George Washington Parke Custis. Young Rob had another couple of years to enjoy with his father.

In contrast to his father and brothers, Rob was not interested in pursuing a military education. He attended the University of Virginia, which in the prewar period was a raucous, all-male institution where students drank, shot pistols, and broke things. Rob might have been

Robert Jr. grew up at Arlington Plantation while his father was stationed at army posts for long periods. This June 28, 1864, photo shows Union troops occupying the Lee home. (Library of Congress)

full of youthful energy, but like his father, he was also religious. In May 1860, he underwent a spiritual conversion. “How are you getting along with your God,” he wrote his sister Mildred in January 1861. “O! my sister,” he said, “neglect not him. I have suffered much from neglecting him.”

When the Civil War broke out, Rob—not yet 18 years old—was an eager volunteer. In the spring of 1861, young men from the University of Virginia organized military companies, and Rob became a commissioned officer in the “Southern Guard.” He marched with this unit all the way to Winchester before Governor John Wise ordered the students back to Charlottesville. In December 1861, Rob wrote there were only 50 students left at the university—down from 650 the previous year—because so many had enlisted in the Confederate Army.

Rob grew up in a thriving slaveholding society, and his racial views reflected that reality. In January 1862, a few months before he reenlisted, Rob visited White House plantation, the home of his brother William Henry Fitzhugh Lee, better known as “Rooney.” Rob wrote to Mildred that “the most delightful thing about the place is the set of negroes. They are the real old Virginny kind, as polite as possible devoted to their master & mistress, who are devoted to them & who do every thing for them.”

Robert Jr.’s older brothers, Maj. Gen. William Henry Fitzhugh “Rooney” Lee, left, and Maj. Gen. Custis Lee also served in the Army of Northern Virginia. Both were captured by Union troops. (From left: Library of Congress Heritage Auctions)

On March 28, 1862, Rob joined the Rockbridge Artillery as a private, and with that unit experienced his first fighting in the Shenandoah Valley. During the first few weeks of his service, the Confederate Army was in a difficult moment of transition. In April, the Confederate Congress passed a controversial conscription act, the first in American history. The act drafted men from the ages of 18 to 35 and kept them for three years or until the end of the war. The act led to the reorganization and consolidation of regiments. “The whole army seems very much dissatisfied,” Rob wrote to his father on April 23. He noted there were “a good many desertions among the militia & the valley men who refuse to leave their homes behind them.” Rob himself was not discouraged, and he looked down on those men of wavering patriotism.

In May at Front Royal, Va., Confederates routed a much smaller force of Federals under Colonel John Reese Kenly. Rob wrote of overrunning Federal camps and the men helping themselves to bacon, sugar, coffee, and other luxuries. We “got all kinds of sweetmeats,” Rob wrote his father, “the most delicious canned fruit of all Kinds ginger cakes by the barrels sugar candy & all Kinds of ‘nick nacks.’” Rob said he made a “hearty meal” of “bread & butter ginger cakes & sugar wh[ich] helped me out, for I was nearly starved.” The young artilleryman said the Confederate damage amounted to $100,000.

Victory did not erase the harsh realities of war. Rob saw one of his friends badly wounded in the face at Front Royal. As for himself, he was exhausted. “I think I have been through as hard a time as I ever will see in this war,” he told his father. “For twenty four days we have been marching & this is the fourth day we have rested Through rain mud water woods up & down mountains & for two weeks half starved.” The hard fighting, though, energized him. “I am now as hearty as a buck feeling better than I ever did in my life,” he reassured his father.

Rob did not see General Lee again until the Seven Days Battles. By then, his father had been put in command of the Army of Northern Virginia and was fighting to drive Maj. Gen. George B. McClellan’s Army of the Potomac from the outskirts of Richmond. Rob remembered that by then, “short rations, the bad water, and the great heat, had begun to tell on us, and I was pretty well worn out.”

At the Second Battle of Manassas, Rob, serving as the “No. 1” man in charge of ramming artillery rounds down his cannon’s barrel, was again in the thick of combat. “My face and hands were blackened with powder-sweat,” he recalled, “and the few garments I had on were ragged and stained with the red soil of that section.” Rob encountered his father on the battlefield and managed to get his attention. “Well, my man, what can I do for you?” he remembered his father saying. “Why, General don’t you know me?” Rob replied. Once his father realized who he was talking to, he was “much amused at my appearance and most glad to see that I was safe and well.”

After the war Robert Jr. settled at Romancoke, a plantation on the Pamunkey River, but struggled as a farmer and missed his family in Lexington. (Robert E. Lee and the Southern Confederacy, 1807-1870. G.P. Putnam’s Sons, 1897)

Shortly after Second Manassas, the Army of Northern Virginia headed north toward the Potomac River and Maryland. During the busy days of marching, Rob recalled he “occasionally saw the commander-in-chief, on the march, or passed the headquarters close enough to recognise him and members of his staff, but as a private soldier in Jackson’s corps did not have much time…for visiting …. ”

His next opportunity to talk to his father came on September 17, the day of the notorious Battle of Sharpsburg. During that bloody fight, when 23,000 men became casualties, Rob remembered that “our battery had been severely handled, losing many men and horses. Having three guns disabled, we were ordered to withdraw, and while moving back we passed General Lee and several of his staff, grouped on a little knoll near the road …. Captain Poague, commanding our battery, the Rockbridge Artillery, saluted, reported our condition, and asked for instructions.”

The general listened to Poague’s report and told him to take his damaged guns to the rear, but to prepare his remaining cannon for more action. As he talked to Poague, Lee’s eyes drifted over the battle-worn men on the battery, once again apparently not recognizing his youngest son. Rob recalled that he approached his father, said hello, then asked, “General, are you going to send us in again?” Replied the commander, “Yes, my son, you all must do what you can to help drive these people back.”

By the fall of 1862, Rob, his father, and his brother and cavalry officer Rooney had survived several bloody campaigns, but the family suffered loss all the same. In October, his sister Annie died of disease in North Carolina, where she had fled to escape the ravages of war in Virginia. “I shall never see her any more in this world,” Rob wrote of Annie.

As much as possible, the family tried to stay together. Rooney was promoted from colonel of the 9th Virginia Cavalry to brigadier general and leadership of North Carolina and Virginia troopers. Rob became a lieutenant and one of Rooney’s staff officers and remained optimistic about the Confederacy’s future. “I think we’ll whip old Burnside badly when we meet him,” he wrote in late November 1862. Events proved him correct. Lee’s forces soundly defeated Maj. Gen. Ambrose Burnside in December at the Battle of Fredericksburg.

Months of relative inactivity followed. Rob fought at Chancellorsville on May 1-3, 1863, but he did not march north with the Army of Northern Virginia into Pennsylvania during the Gettysburg Campaign. That might have been because Rooney was wounded at Brandy Station on June 9 and captured soon thereafter and sent to a Northern prison, where he languished for months. With his brother out of the army, Rob worked for a while with the Ordnance Department in Richmond.

Rob was not depressed by the news of his father’s July defeat at Gettysburg. Later that month, he told his mother that “the men & officers are in very good spirits & very desirous of establishing their fame firmly, which they think has been a little shaken at Gettysburg.” By then, Rob had rejoined the cavalry, serving in Colonel John R. Chambliss’ 13th Virginia Cavalry, and he defended his fellow horsemen against accusations that the cavalry “never does anything.” “Truth is we do all the hard work of the Army,” he said, noting there was “freedom in this branch which is delightful.”

Rob remembered that at the time of the 1864 Overland Campaign, morale was still high in the Army of Northern Virginia. He wrote, “it never occurred to me, and to thousands and thousands like me, that there was any occasion for uneasiness.” The men of the Army of Northern Virginia “firmly believed that ‘Marse Robert’…would bring us out of this trouble all right.” Rob was wounded at the May fighting near Spotsylvania, but he recovered and rejoined his command. In a July 1864 letter to his sister Agnes, he wrote of soldiers getting plenty to eat, and he was impatient to “turn our horses out on the fine grass in Maryland & Pennsylvania.”

Charlotte “Lottie” Taylor Haxall married Robert Jr. in November 1871 but died of tuberculosis in September 1872. (Beaux and Brains of the 60’s, G.W. Dillingham Co, 1909)

During the Petersburg siege, on August 15, 1864, he was wounded slightly in the arm at the Second Battle of Deep Bottom. The wound took Rob out of action for three weeks.

By 1865, Rob’s outlook had grown darker and he was pessimistic about his future. “I don’t know whether I shall ever see you again,” he told his sister, Mildred. But he could still be funny, warning Agnes in March: “Don’t let Sheridan get my trunk,” referring to Union Maj. Gen. Phil Sheridan.

In the final days of the war, Rob had a horse shot from under him, an event he remembered happening on April 2 or 3. Thankfully for him, he was cut off from the rest of the army. He said he was “surprised” when he heard of the news of the surrender. He rejoined his command and accompanied the remnants of the Jefferson Davis government to Greensboro, N.C. That was as far as he made it. He eventually returned to Richmond and was paroled in May 1865.

With the South devastated, Rob tried his hand at farming. He settled in King William County, Va., roughly 40 miles east of Richmond. As the owner of “Romancoke,” he ran a small plantation on the Pamunkey River. The estate was left to Rob in 1857 by his grandfather, George Washington Parke Custis. At Romancoke, Rob—far from his family in Lexington—found himself a lonely bachelor and struggling farmer.

Unlike his oldest brother Custis, who became president of Washington and Lee University, and Rooney, who later became a U.S. congressman, Rob kept a low profile after the war and his racial views had not progressed beyond condescending references to African Americans. In February 1866, he told a sister about “Old Coon,” a black woman helping him keep house. A year later, he dismissed the plight of the freed people of the South, saying, they were “stirred up by baptizing & politics,” but added “that theory would never be demonstrated by Cuffee.”

He still received advice from his father. “You must have a nice wife,” the elder Lee told him in August 1867. “I do not like you being so

lonely. I fear you will fall in love with celibacy.” General Lee traveled to Romancoke several times to see his bachelor son. Rob apparently cared little about entertaining, and after one trip General Lee decided his son needed a proper set of silverware. The general last visited Rob in the spring of 1870.

The news of his father’s death on October 12, 1870, hit Rob hard. After the general’s death, he lamented his own “selfishness & weakness” and praised his father for the “example of true manliness he set me all through his life.” In contrast, he felt he had “done so little for him.”

Rob’s uncertain finances, the shabbiness of his estate, and the fact that he was far from family and city life slowed his prospects of finding a wife. After a long courtship, in November 1871 he married 23-year-old Charlotte Taylor Haxall, but the marriage to “Lottie,” as she was known, proved brief. She died of tuberculosis on September 22, 1872. “I try to believe that all is for the best,” he wrote after her death, “but it is very hard—hard to believe, harder still to feel so.” A year later, Rob lost his mother, who had suffered from debilitating ill health. A few weeks before her death, Rob’s sister, Agnes, had also died.

In 1875, Rob departed for England with his sister Mildred. He stayed there for a year. Rob eventually moved from Romancoke to Washington, D.C., where he worked in the insurance business. In March 1894, Rob married Juliet Carter, the daughter of Colonel Thomas H. Carter, a Virginian who had served in the Army of Northern Virginia’s artillery.

Rob and Juliet had two daughters, Anne Carter (1897-1978) and Mary Custis (1900-1994). In 1904, Rob published Recollections and Letters of General Robert E. Lee. The book included transcriptions of his father’s letters, recollections of his spoken words, and anecdotes drawn from Rob’s memories of those of his older siblings. The book was well received and remains essential reading for Lee scholars.

Robert Jr. eventually moved to Washington, D.C., where he worked in the insurance business and married a second time. In 1904, Robert Jr. published Recollections and Letters of Robert E. Lee. (Virginia Museum of History and Culture)

Rob died on October 14, 1914, and he is buried with his family in the Lee crypt in Lexington. Robert E. Lee biographer J. William Jones wrote of him, “No braver or more chivalric man ever lived, and his death is lamented by his surviving comrades of the war, and by a host of friends.”

In many ways, Robert E. Lee Jr. was a typical Confederate soldier. He was an unmarried enlisted man in his 20s who fought in the ranks and a defender of the racial status quo. He survived the war, though he saw many of his friends and comrades killed.

In other ways, his life was atypical in that he was the son of the Confederacy’s greatest warrior and a member of one of the South’s most celebrated and elite families. An unsuccessful farmer after the war, the ex-Rebel moved, ironically, to the federal capital of Washington, D.C., to seek better financial opportunities.

Rob’s career may have been humble compared with others of his generation, but his letters provide an important link between the pre- and postwar South, and he was the liveliest and funniest writer of any member of his family. Zijn Recollections and Letters of Robert E. Lee remains an important source on his famous father.

Colin Woodward is the author of Marching Masters: Slavery, Race, and the Confederate Army During the Civil War. He lives in Richmond,
where he is host of the history and pop culture podcast “American Rambler.” He is revising a book on country singer Johnny Cash.


Unlocking History: Treasures Of Robert E. Lee Discovered

Stumbling across long-forgotten steamer trunks crammed with family memorabilia can excite the history buff in anyone. But when the trunks belong to Mary Custis Lee, the eldest daughter of General Robert E. Lee, and contain a treasure trove of documents and artifacts about her father and other members of her illustrious family spanning more than two centuries, that’s when historians take notice. And now, this collection is open to the public.

The discovery occurred in 2002, as Robert E. L. deButts, Jr., the great-great-grandson of Robert E. Lee, conducted family research. A commercial and securities lawyer in New York who bears a striking resemblance to the formidable general with his flinty eyes and broad expanse of forehead, deButts had queried Burke & Herbert Bank & Trust in Alexandria, Virginia, to see if they retained any financial records of his great-grandaunt, Mary Custis Lee. After the Civil War ended, Mary spent much of her life traveling abroad, and used the bank as a permanent address. As the officers of the family-owned bank checked their inventory, they decided to look in their rarely used “silver vault,” which safeguards items too large for safe-deposit boxes. A pair of dusty wooden steamer trunks caught their eye, the larger one bearing a piece of tin patching and the unmistakable stenciled letters, “M. Lee.”

DeButts came south immediately and together they unlocked the trunks, unopened at least since Mary Custis’ death 84 years before, and discovered more than 4,000 yellowed letters, postcards, documents, photographs, and artifacts. DeButts brought the contents to the Virginia Historical Society in Richmond, which houses the nation’s largest collection of Lee papers, and started sorting. Turns out, says Lee Shepard, the Society’s senior archivist, that Mary Custis “was the unofficial family archivist and also a bit of a pack rat.” One envelope contained three cloth stars of gold thread, identified in a note as those that Lee cut off his uniform after his surrender to Grant at Appomattox.

The earliest letter in the trunks dates to 1694, a letter from John Custis II, the family’s first English immigrant, to merchants back home discussing the tobacco crop and the shipbuilding business on the Eastern Shore, valuable details, says Shepard, for future researchers. Also amidst the letters is an unusual 1766 manifest of 266 African American slaves owned by John Parke Custis, the stepson of George Washington. There are accounts from the 1760s and 1770s kept by George Washington an 1860 letter from Robert E. Lee to the Secretary of War about relations between Mexico and the U.S. an 1872 letter from a former slave at Arlington House to Lee’s wife postcards and mementos from around the world acquired by Mary Custis and the correspondence of Lee’s mother-in-law, Mary Fitzhugh Custis, an anti-slavery activist in the upper South.

The letters written by Robert E. Lee add exciting new dimensions to the man, showing a complexity of character and emotional conflict rarely associated with someone too often portrayed as a stone icon, notes Elizabeth Brown Pryor, a Lee biographer and the first scholar to read dozens of the private and revealing missives. “This material shows him not as a simple Christian gentleman but as far more complex, problematic, witty, wickedly funny, and baffled at times.” She read two dozen letters from Lt. Robert Lee to his fiancée, Mary Custis—all delightfully colored by the irreverence and passion of an impatient young man.

There are family letters that give life to Lee’s experience in the Mexican War. His grief over the loss of Arlington House is palpable in a Christmas 1861 letter to his daughter Mary: “I should have preferred it to have been wiped from the earth, its beautiful hill sunk, & its sacred trees burned, rather than to have been degraded by the presence of those who revel in the ill they do for their own selfish purposes.”

The collection also includes several hesitant attempts by Lee to chronicle his military actions in the Civil War. The documents contain few battlefield secrets—their most revealing aspect, says Pryor, is Lee’s avoidance of candid assessment, evidence perhaps either of optimistic resilience or delusion. He wrote his daughter on September 23, 1862, just after the Sharpsburg campaign. “We had two hard fought battles in Maryland and did not consider ourselves beaten as our enemies suppose. We were greatly outnumbered and opposed by double if not treble our strength and yet we repulsed all their attacks, held our ground and retired when it suited our convenience.” Brave words in the wake of a campaign that caused a quarter of his army to desert—and enabled Abraham Lincoln to seize the moral high ground and issue the Emancipation Proclamation.

At other times, Lee’s letters are unselfconscious and expressive. Early in the war, as the South’s fortunes surged, Lee wrote a sentimental Christmas letter to Mary: “I send you some sweet violets that I gathered for you this morning while covered with dense white frost that glistened in the bright sun like diamonds and formed a broche of rare beauty and sweetness . . . “

Anguish creeps in as the war progresses, especially when he hears in November 1862 of the death of his 23-year-old daughter Anne of typhoid fever. He wrote his wife, “In the quiet hours of night when there is nothing to lighten the full weight of my grief, I feel as if I should be overwhelmed. I had always counted if god should spare me for a few days of peace after this civil war had ended, that I should have her with me. But year after year my hopes go out and I must be resigned.”

Grim foreboding comes in the Lee’s handwritten original draft of the 1863 General Order notifying his troops of the death of General Stonewall Jackson, the brilliant Confederate tactician upon whom Lee depended. Generals usually dictated orders, says Shepard, so the fact that he handwrote this one indicates that he understood the full import of Jackson’s death for the Southern cause.

According to Pryor, perhaps the most significant Robert E. lee materials in the trunks are unfinished post-war essays he wrote on the government, war, and the evils of majority rule. The traditional view of Lee holds that he held no rancor in his heart after the war and altogether transcended the whole cataclysmic experience of war, perhaps an impression given by the great dignity in which he carried himself. These essays, however, expose Lee’s bitter struggle to reconcile himself to defeat and its disastrous results for the South, as well as his oral dilemma over having chosen that side.

What comes through most strongly in Lee’s writings is his humanity. In a letter to his wife-to-be, long before the Civil War would rip him and the nation apart, Lee’s words are those of a love struck young engineer who can’t wait to see her. In his letter of September 11, 1830, he rather comically describes the reaction of his family members to news of his engagement. “Both parties gradually approached the place where I was standing, and just as the storm seemed ready to burst upon my innocent head I bolted from the house & took refuse in the laundry. I just escaped in time, for hardly had I closed the door, when the whole building rung with the shouts and clamour of the enraged combatants.”

Most of Lee’s 21 love letters to Mary are published in a special edition of the Virginia Historical Society’s Virginia Magazine of History and Biography (Vol. 115, Issue 4, 2007). See also Elizabeth Brown Pryor’s Reading the Man: A Portrait of Robert E. Lee Through His Private Letters (Viking 2007).