Geschiedenis Podcasts

Verdrag van Amasya - Geschiedenis

Verdrag van Amasya - Geschiedenis


We are searching data for your request:

Forums and discussions:
Manuals and reference books:
Data from registers:
Wait the end of the search in all databases.
Upon completion, a link will appear to access the found materials.

Verdrag van Amasya
In 1555 werd het Verdrag van Amasya ondertekend tussen het Ottomaanse Rijk en Perzië. Hiermee kwam een ​​einde aan de oorlog tussen de partijen. Onder zijn voorwaarden erkende Perzië de Ottomaanse soevereiniteit over Irak.


Vrede van Amasya

De Vrede van Amasya (Perzisch: پیمان آماسیه ‎ ("Peymān-e Amasiyeh") Turks: Amasya Antlaşması) was een verdrag dat op 29 mei 1555 werd gesloten tussen Shah'8197Tahmasp van Safavid'8197Iran en Sultan Suleiman'8197het'Magnificent van het Ottomaanse Rijk in de stad Amasya, na de Ottomaanse-Safavid's8197Oorlog'8197of'81971532-1555 .

Het verdrag definieerde de grens tussen Iran en het Ottomaanse Rijk en werd gevolgd door twintig jaar vrede. Door dit verdrag werden Armenië en Georgië gelijkelijk tussen de twee verdeeld, waarbij West-8197Armenië, West-Koerdistan en West-Georgië (incl. West-Samtsche) in Ottomaanse handen vielen, terwijl Oost-Armenië, Oost-Koerdistan en Oost-Georgië (incl. Oost-Georgië) Samtskhe) bleef in Iraanse handen. [1] Het Ottomaanse Rijk veroverde het grootste deel van Irak, inclusief Bagdad, waardoor ze toegang kregen tot de Perzische Golf, terwijl de Perzen hun voormalige hoofdstad Tabriz en al hun andere noordwestelijke gebieden in de Kaukasus behielden en zoals ze waren vóór de oorlogen, zoals Dagestan en alles wat nu Azerbeidzjan is. [2] [3] [4] De aldus vastgestelde grens liep over de bergen die Oost- en West-Georgië scheidden (onder inheemse vazalvorsten), door Armenië, en via de westelijke hellingen van de Zagros tot aan de Perzische Golf.

Er werden ook verschillende bufferzones ingesteld in Oost-Anatolië, zoals in Erzurum, Shahrizor en Van. [5] Kars werd neutraal verklaard en het bestaande fort werd vernietigd. [6] [7]

De Ottomanen garandeerden bovendien de toegang voor Perzische pelgrims om naar de islamitische heilige steden Mekka en Medina te gaan, evenals naar de sjiitische heilige pelgrimsoorden in Irak. [8]

Het beslissende afscheid van de Kaukasus en de onherroepelijke overdracht van Mesopotamië aan de Ottomanen gebeurde volgens het volgende grote vredesverdrag dat bekend staat als het Verdrag van Zuhab in 1639 CE/AD. [9]

Een andere voorwaarde van het verdrag was dat de Safavids een einde moesten maken aan de rituele vervloeking van de eerste drie Rashidun-kaliefen, [10] Aisha en andere Sahaba (metgezellen van Mohammed) - allemaal in hoog aanzien bij soennieten. Deze voorwaarde was een veel voorkomende eis van Ottomaanse Safavid-verdragen [11] en werd in dit geval als vernederend beschouwd voor Tahmasp. [12]


Vrede van Amasya

De Vrede van Amasya (Perzisch: پیمان آماسیه ‎‎ Turks: Amasya Antlaşması ) was een verdrag overeengekomen op 29 mei 1555 tussen Shah Tahmasp van Safavid Iran en Sultan Suleiman de Grote van het Ottomaanse Rijk in de stad Amasya, na de Ottomaanse Safavid Oorlog van 1532-1555.

Het verdrag definieerde de grens tussen Iran en het Ottomaanse Rijk en werd gevolgd door twintig jaar vrede. Door dit verdrag werden Armenië en Georgië gelijkelijk tussen de twee verdeeld (waarbij West-Armenië en West-Georgië in Turkse handen vielen, terwijl Oost-Armenië en Oost-Georgië in Iraanse handen bleven), het Ottomaanse Rijk kreeg het grootste deel van Irak, inclusief Bagdad, waardoor ze toegang tot de Perzische Golf, terwijl de Perzen hun voormalige hoofdstad Tabriz en al hun andere noordwestelijke gebieden in de Kaukasus behielden en zoals ze waren vóór de oorlogen, zoals Dagestan en alles wat nu Azerbeidzjan is. [1] [2] [3] De aldus vastgestelde grens liep over de bergen die Oost- en West-Georgië scheidden (onder inheemse vazalvorsten), door Armenië en via de westelijke hellingen van de Zagros tot aan de Perzische Golf.

In heel Oost-Anatolië werden ook verschillende buffer- of neutrale zones ingesteld, zoals in Kars, waar het bestaande fort werd vernietigd. [4]

De Ottomanen gaven bovendien Perzische pelgrims toestemming om naar de heilige plaatsen Mekka en Medina te gaan, evenals naar de sjiitische pelgrimsoorden in Irak. [5]

Het beslissende afscheid van de Kaukasus en de onherroepelijke overdracht van Mesopotamië aan het Ottomaanse Turkije gebeurde volgens het volgende grote vredesverdrag dat bekend staat als het Verdrag van Zuhab in het midden van de 17e eeuw. [6]

Een andere voorwaarde van het verdrag was dat de Safavids een einde moesten maken aan de rituele vervloeking van de eerste drie Rashidun-kaliefen, [7] Aisha en andere Sahaba (metgezellen van Mohammed) die allemaal in hoog aanzien stonden bij soennieten. Deze voorwaarde was een veel voorkomende eis van Ottomaanse Safavid-verdragen [8] en werd in dit geval als vernederend beschouwd voor Tahmasp. [9]


Verdrag van Brest-Litovsk: 3 maart 1918

Begin december 1917 werd een wapenstilstand bereikt en op 15 december werd een formeel staakt-het-vuren afgekondigd, maar het bepalen van de voorwaarden voor vrede tussen Rusland en de centrale mogendheden bleek veel gecompliceerder. De onderhandelingen begonnen op 22 december in Brest-Litovsk. Aan het hoofd van hun respectieve delegaties stonden de ministers van Buitenlandse Zaken Leon Trotski (1879-1940) van Rusland, Richard von Kuhlmann van Duitsland en graaf Ottokar Czernin van Oostenrijk.

Halverwege februari werden de besprekingen afgebroken toen een boze Trotski de voorwaarden van de Centrale Mogendheden te hard vond en hun eisen om territorium onaanvaardbaar vond. De gevechten aan het oostfront werden kort hervat, maar de Duitse legers rukten snel op, en zowel Lenin als Trotski realiseerden zich al snel dat Rusland, in zijn verzwakte staat, gedwongen zou worden toe te geven aan de vijandelijke voorwaarden. De onderhandelingen werden later die maand hervat en het definitieve verdrag werd op 3 maart 1918 ondertekend.

Door de voorwaarden van het Verdrag van Brest-Litovsk erkende Rusland de onafhankelijkheid van Oekraïne, Georgië en Finland, gaf Polen en de Baltische staten Litouwen, Letland en Estland aan Duitsland en Oostenrijk-Hongarije en stond Kars, Ardahan en Batum af aan Turkije. De totale verliezen vormden ongeveer 1 miljoen vierkante mijl van het voormalige grondgebied van Rusland, een derde van zijn bevolking of ongeveer 55 miljoen mensen, een meerderheid van zijn kolen-, olie- en ijzervoorraden en een groot deel van zijn industrie. Lenin noemde de nederzetting bitter de afgrond van nederlaag, uiteenvallen, slavernij en vernedering.


Verdrag van Waitangi

Het gedeelte over het Verdrag van Waitangi bevat materiaal dat oorspronkelijk is gevonden op www.treatyofwaitangi.govt.nz, een site die is ontwikkeld door de Verdragsinformatie-eenheid van de State Services Commission. Materiaal van die site werd gecombineerd met andere onderwerpen op NZHistory om een ​​reeks functies te bieden over het Verdrag van Waitangi en Waitangi Day. Bekijk informatie over de verdragsboekjes, cd-rom, posters en kinderverhalenboek geproduceerd door SSC

Het Verdrag in het kort

Het beknopte verhaal van hoe het oprichtingsdocument van Nieuw-Zeeland werd geboren - en hoe het voortleeft. Bevat sectie met veelgestelde vragen. meer.

Lees het Verdrag

Lees het Verdrag in het Engels en Maori. Bekijk en vergelijk versies en vind vertalingen in andere talen. meer.

Verdragsondertekenaars en ondertekeningslocaties

Het 1840-verdragsdocument was lang in de maak, met vele reizen die werden ondernomen om voornamelijk handtekeningen op negen verschillende vellen te verzamelen. meer.

Waitangi-dag

Ontdek de oorsprong van de nationale feestdag van Nieuw-Zeeland. Reis terug naar 1932 toen het Verdragshuis en het terrein aan de natie werden overhandigd. meer.

Verdrag tijdlijn

Een chronologie van de belangrijkste gebeurtenissen bij het tot stand komen van het Verdrag en de blijvende impact ervan op de Nieuw-Zeelandse samenleving.

Het Verdrag in de praktijk

Sinds de ondertekening in 1840 is het verdrag een krachtige (zij het soms subtiele) invloed op het nationale verhaal blijven uitoefenen. meer.

Te Wiki o Te Reo Māori - Maori-taalweek

Verken de vitale wortels van de Māori-taal en het geluid van te reo. Leer de 100 essentiële Māori-woorden die elke Nieuw-Zeelander zou moeten kennen. meer.

Verdrag biografieën

Wie waren de belangrijkste spelers die betrokken waren bij de totstandkoming van het Verdrag? meer.


De Nationale Onafhankelijkheidsoorlog

Na de Mondros-wapenstilstand werd het grootste deel van het Ottomaanse land verdeeld onder de zegevierende landen. Als gevolg daarvan begonnen verschillende verdedigingsfronten en verzetsorganisaties te verschijnen in Anatolië en Thracië. Het Turkse volk moest deze verzetsinspanningen omzetten in een beweging van volledige onafhankelijkheid, die alleen kon worden bereikt onder leiding van Mustafa Kemal. Toen Mustafa Kemal op 19 mei 1919 in Samsun landde als inspecteur van het leger, begon de vierjarige Nationale Onafhankelijkheidsoorlog. De circulaire die op 22 juni 1919 in Amasya werd uitgegeven, was een oproep tot en verklaring van nationale bevrijding. Dit werd gevolgd door de congressen van Erzurum en Sivas. In het Erzurum-congres heeft het Turkse volk zijn vastberadenheid voor nationale onafhankelijkheid als volgt aan de hele wereld kenbaar gemaakt: & ldquo Het land van het moederland binnen de nationale grenzen is een geheel en kan niet worden opgedeeld. Mandaten en patronaten zijn onaanvaardbaar&rdquo.

De Entente Staten bezetten Istanbul op 16 maart 1920 en ontbonden het Ottomaanse parlement. Sommige afgevaardigden werden gearresteerd en sommigen gingen naar Ankara om zich bij de strijd voor nationale onafhankelijkheid aan te sluiten.

De Turkse Grote Nationale Vergadering (TGNA) werd ingehuldigd op 23 april 1920 in Ankara en Mustafa Kemal werd verkozen tot voorzitter van de Vergadering. Deze Vergadering zou voortaan de strijd om de nationale onafhankelijkheid voeren in naam van de natie. Na de aangewezen opperbevelhebber van Mustafa Kemal begon de oorlog tegen imperialistische krachten op alle fronten. Ondertussen, op 10 augustus 1920, ondertekende de regering van Istanbul het Verdrag van Sevres, dat zeer strenge bepalingen voor de Turken bevatte.

Mustafa Kemal en de regering van Ankara hebben het Verdrag van Sevres niet erkend. Een strijd werd begonnen onder het bevel van Kazım Karabekir in Oost-Anatolië, en deze poging werd met succes afgesloten. Als gevolg hiervan werd op 2 december 1920 de Gümrü-overeenkomst met Armenië ondertekend. Dit was de eerste internationale overeenkomst waarbij de TGNA partij was. De problemen aan het oostfront werden volledig opgelost met het Verdrag van Moskou dat op 16 maart 1921 met Rusland werd ondertekend en de overeenkomst van Kars met Armenië, Azerbeidzjan en Georgië op 13 oktober 1921. Aan het westfront bezetten de Griekse strijdkrachten die İzmir op 15 mei 1919 en begonnen op te rukken in de Egeïsche regio werden teruggedreven tijdens de Eerste en Tweede Slag (januari-april 1921), en ze leden later een verpletterende nederlaag in de Sakarya Pitch Battle (augustus-september 1921). Ook werden de Franse troepen teruggetrokken uit Adana en omgeving in overeenstemming met de Ankara-overeenkomst (oktober 1921) ondertekend met Frankrijk. Daarna werden alle strijdkrachten en middelen van het land voorbereid op een algemeen offensief aan het westfront. De Griekse troepen werden verslagen in het Grand Offensive en de Battle of the Commander-in-Chief (augustus 1922). İzmir werd op 9 september 1922 bevrijd. Dit militaire succes versnelde het proces van de oprichting van een nieuwe republiek. De Mudanya-wapenstilstand werd ondertekend tussen de regering van Ankara en de Entente-staten (11 oktober 1922), en er werd overeengekomen dat er later in Lausanne een conferentie zou worden gehouden om te onderhandelen over de bepalingen van het vredesverdrag. Met de aanvullende uitnodiging van de Entente Staten aan de regering van Istanbul kwam er echter een einde aan het sultanaat. De TGNA scheidde het kalifaat van het sultanaat en schafte het sultanaat af op 1 november 1922. Bijgevolg vertrok de laatste Ottomaanse sultan Mehmet VI (Vahideddin) op 17 november 1922 uit Istanbul.

Het Vredesverdrag van Lausanne (24 juli 1923): De onderhandelingen in Lausanne, waaraan de regering van Ankara als enige vertegenwoordiger deelnam, begonnen op 21 november 1922. De minister van Buitenlandse Zaken İsmet Pasha (İnönü) zat de Turkse delegatie voor tijdens de onderhandelingen die in februari 1923 werden opgeschort, vooral vanwege de onenigheid over de toekomst van capitulaties. De besprekingen werden echter hervat op de nota van İsmet Pasha van 23 april 1923. Met de ondertekening van het vredesverdrag dat 143 artikelen, 17 bijlagen, protocollen en verklaringen omvatte, werd de Nationale Onafhankelijkheidsoorlog afgesloten. Zo werd de regering van de TGNA officieel erkend, werden de nationale grenzen van Turkije vastgesteld, werden de capitulaties opgeheven, werden de Ottomaanse schulden geherstructureerd, en bijgevolg werden de politieke en economische onafhankelijkheid en het recht op soevereiniteit van Turkije officieel erkend. Het verdrag ondertekend in Lausanne, Zwitserland op 24 juli 1923, werd op 23 augustus 1923 door de TGNA bekrachtigd.


Süleyman I

Selims laatste jaren bracht hij door in Istanbul om de suprematie van het sultanaat te versterken en het prestige en de inkomsten uit zijn oosterse overwinningen te exploiteren. Het was daarom pas tijdens de lange regeerperiode van zijn zoon en opvolger, Süleyman I (regeerde 1520-1566), die in Europa "de Magnifieke" en onder de Ottomanen "de Wetgever" (Kanuni) werd genoemd, dat de door Selim gelegde fundamenten volledig waren gebruikt om de klassieke Ottomaanse staat en samenleving te vestigen en om belangrijke nieuwe veroveringen in het Oosten en Westen te maken. Als gevolg van het beleid en de successen van zijn vader nam Süleyman de troon over met een positie die door geen enkele sultan daarvoor of daarna werd geëvenaard. Hij bleef achter zonder tegenstand en met veel controle over de devşirme klasse, evenals over de overblijfselen van de Turkse notabelen. De verovering van de Arabische wereld had de inkomsten van de schatkist verdubbeld zonder belangrijke aanvullende financiële verplichtingen op te leggen, waardoor Süleyman een rijkdom en macht had die ongeëvenaard was in de Ottomaanse geschiedenis. Hoewel Süleyman nooit volledig gebruik heeft gemaakt van de kansen die hem geboden werden en in feite het proces van Ottomaanse achteruitgang begon, markeerde zijn heerschappij nog steeds het hoogtepunt van Ottomaanse grootsheid en werd hij altijd beschouwd als de gouden eeuw van de Ottomaanse geschiedenis.

De belangrijkste slagvelden van de Ottomaanse expansie in Europa onder Süleyman waren Hongarije en de Middellandse Zee. De zwakke Zuidoost-Europese vijanden van Süleymans voorgangers waren vervangen door de machtige Habsburgse dynastie, die werd versterkt door de oproepen van de paus in heel Europa tegen de dreiging (voor christenen) van de islam. De belangrijkste Europese bondgenoot van Süleyman was Frankrijk, dat de Ottomaanse druk in het zuiden probeerde te gebruiken om de druk van de Habsburgers aan de oostgrenzen te verminderen. De landoorlog met de Habsburgers was gecentreerd in Hongarije en werd uitgevochten in drie hoofdfasen. Van 1520 tot 1526 kreeg het onafhankelijke Hongaarse koninkrijk de directe last van de Ottomaanse aanval en fungeerde het als buffer tussen de twee grote rijken, maar de zwakke koning Lodewijk II van Hongarije en Bohemen en feodale anarchie en wanbestuur maakten een verenigde verdediging onmogelijk. Een verdeeldheid onder Hongaarse edelen over de kwestie van het accepteren van de Habsburgse heerschappij, gecombineerd met sociale en nationale verdeeldheid gestimuleerd door de Reformatie, verzwakte het verzet tegen de Ottomaanse aanval verder. Als gevolg hiervan kon Süleyman in 1521 Belgrado innemen, wat de weg vrijmaakte voor een grootschalige opmars ten noorden van de Donau. Het enige echte leger dat de Hongaarse edelen konden opbrengen, werd in 1526 verslagen tijdens de Slag bij Mohács, en de dood van Lodewijk II maakte een einde aan de laatste hoop op Hongaarse eenheid en onafhankelijkheid.

De tweede periode van Ottomaans-Habsburgse betrekkingen (1526-1541) werd gekenmerkt door Hongaarse autonomie onder de anti-Habsburgse Hongaarse koning John (János Zápolya), die de heerschappij van de sultan accepteerde in ruil voor het recht om het inheemse bestuur en de militaire verdediging voort te zetten . De Habsburgse prins Ferdinand (later de Heilige Roomse keizer Ferdinand I), broer van keizer Karel V, bezette de noordelijke gebieden van Hongarije met de steun van de rijkere Hongaarse edelen die Habsburgse hulp tegen de Turken wensten. Voor alle praktische doeleinden annexeerde hij ze aan Oostenrijk voordat hij in 1527-1528 de rest van Hongarije zou veroveren. Als reactie keerde Süleyman terug uit Anatolië om de Habsburgers uit heel Hongarije te verdrijven en belegerde Wenen in 1529, een poging die mislukte vanwege de moeilijkheid om een ​​grote troepenmacht te leveren die zo ver van de belangrijkste centra van de Ottomaanse macht verwijderd was.

Wenen stond dus als het belangrijkste Europese bolwerk tegen verdere moslimopmars. Onder de bestaande voorwaarden van bevoorrading, transport en militaire organisatie hadden de Ottomanen de grens van hun mogelijke uitbreiding in het Westen bereikt. De winterbasis die de uitbreidingsinspanning ondersteunde, moest in Istanbul worden gehandhaafd vanwege de constante dreiging van militaire actie tegen de Safavids in het Oosten. Het beleg van Wenen zorgde echter voor Süleymans heerschappij over Hongarije en verhinderde Ferdinand tot 1540 een nieuwe aanval op de door John geregeerde gebieden te lanceren. Protestanten (1532), het resultaat was slechts tijdelijk, en Ferdinand was nooit zeker van de steun van de onafhankelijke Duitse vorsten en de andere Europese heersers die hulp beloofden. Zelfs Karel V was te veel bezig met de problemen van de Reformatie en met Frankrijk om veel aandacht aan de Ottomanen te besteden. Dus toen Süleyman aan een tweede Oostenrijkse campagne begon (1532), was hij niet in staat het keizerlijke leger in conflict te brengen en moest hij zich tevreden stellen met het verwoesten van grote delen van het Habsburgse rijk.

Bij de vrede van 1533 gaf Ferdinand zijn aanspraken op Centraal-Hongarije op en erkende John's heerschappij daar als Ottomaanse vazal, terwijl Süleyman ermee instemde Ferdinand als heerser van Noord-Hongarije te accepteren in ruil voor de betaling van een jaarlijkse schatting. Die regeling duurde tot 1540, toen John stierf en zijn domeinen aan Ferdinand naliet in weerwil van zijn overeenkomst met de sultan. Toen Ferdinand probeerde zijn erfgoed met geweld over te nemen, bezette en annexeerde Süleyman Hongarije in 1541 - onder het mom van opkomen voor de zaak van John's zoontje, John Sigismund Zápolya - en plaatste het voor de eerste keer onder direct Ottomaans bestuur en bezetting. Zo begon de derde en laatste periode van de Ottomaanse-Habsburgse betrekkingen, die werd gekenmerkt door voortdurende omleiding van grensconflicten aan beide kanten, maar lange perioden van openlijke oorlogvoering verhinderde. Christelijke historici hebben Frans I van Frankrijk ervan beschuldigd de Ottomaanse expansie naar Midden-Europa aan te moedigen om de Habsburgse druk op hem te verlichten. Maar de Ottomaanse vooruitgang moet minder worden toegeschreven aan Franse toenadering dan aan Süleymans eigen ambities, samen met zijn angst voor Habsburgse heerschappij in Hongarije en een mogelijke alliantie tussen de Habsburgers, Hongaren en Safavids.

De sultan beschouwde de Franse koning grotendeels als een smekeling om commerciële gunsten, die werden verleend in het Capitulatieverdrag van 1536, een overeenkomst waarbij Franse onderdanen de vrijheid kregen om te reizen en handel te drijven in het domein van de sultan en onderdanen van andere staten die dat wilden doen. hetzelfde waren nodig om de Franse bescherming veilig te stellen. Franse en andere kooplieden en reizigers in het Ottomaanse Rijk mochten onder de Franse wetten en rechtbanken blijven in zaken die hen aangingen en kregen speciale privileges in zaken waarbij Ottomaanse onderdanen betrokken waren. Zo werd de basis gelegd voor de Franse overheersing in de Levant (regio langs de oostelijke Middellandse Zee), die tot de moderne tijd bleef bestaan. De capitulaties dienden als model voor latere overeenkomsten tussen de Ottomanen en de andere Europese mogendheden, die ze vervolgens tijdens de eeuwen van Ottomaanse zwakte gebruikten als middel om de handel binnen de Ottomaanse heerschappijen te domineren en de inheemse moslims en joden uit de markt te verdrijven in gunst van hun geloofsgenoten, Griekse en Armeense protégés. De patstelling tussen de Ottomanen en de Habsburgers in het noorden van Hongarije werd gekenmerkt door eeuwenlange conflicten langs de landgrens. Periodieke Ottomaanse invallen in Midden-Europa en de daaruit voortvloeiende Europese anti-moslimpropaganda leidden tot christelijke vooroordelen tegen moslims in het algemeen en Turken in het bijzonder. Veel Europeanen sympathiseerden met de christelijke minderheidsonderdanen van de Turken, een sentiment dat tot in de moderne tijd voortduurt.

Het georganiseerde militaire conflict verschoof naar de zee, waarbij de Ottomanen voor het eerst opkwamen als een grote zeemacht. Het verval van de Venetiaanse marine bracht Karel V ertoe om volledige controle over de Middellandse Zee te zoeken, waarbij hij als zijn marinecommandant de grote Genuese zeeman Andrea Doria in dienst nam en zo de steun kreeg van de machtige Genuese vloot. Süleyman reageerde in 1522 door de Ridders van Rhodos, een christelijke religieuze en militaire orde, uit Rhodos te verdrijven, maar in 1530 vestigde Charles hen op Malta, van waaruit ze piratenaanvallen op Ottomaanse schepen en kusten organiseerden en in 1535 Tunis veroverden. Terwijl Süleyman in Anatolië bezet was, veroverde Doria een aantal havens in de Morea en begon de Ottomaanse kusten te overvallen, waarbij de meeste zeeverbindingen tussen Istanbul en Alexandrië werden verbroken en duizenden moslimpelgrims Mekka en Medina niet konden bereiken. Als reactie daarop nam Süleyman in 1533 dienst als grootadmiraal Khayr al-Dīn (bij Europeanen bekend als Barbarossa), een Turkse kapitein die een grote piratenvloot van "zee-ghazi's" had gebouwd in de westelijke Middellandse Zee en deze had gebruikt om Algiers te veroveren (1529) en andere Noord-Afrikaanse havens. Als onderdeel van de overeenkomst met Barbarossa, annexeerden de Ottomanen Algiers als een specialiteit bij het rijk timar provincie permanent toegewezen aan de grootadmiraal om de vloot te ondersteunen. Ottomaanse landtroepen werden gestuurd om Algiers te verdedigen tegen Habsburgse aanvallen, wat waarschijnlijk de belangrijkste reden was waarom Barbarossa ermee instemde om zich bij de sultan aan te sluiten. Barbarossa bouwde een machtige Ottomaanse vloot die in staat was de Habsburgers op gelijke voet het hoofd te bieden. In 1537 lanceerde hij een grote aanval op Zuid-Italië, in afwachting van een beloofde Franse aanval in het noorden, met als doel een gezamenlijke verovering van Italië. Maar Frankrijk, uit angst voor een vijandige Europese reactie op zijn alliantie met de ongelovigen, hield de afleiding tegen. Doria organiseerde en leidde vervolgens een geallieerde Europese zeemacht tegen de Ottomanen, maar het werd in 1538 op de vlucht gejaagd in de Slag bij Préveza voor de Albanese kust. Venetië gaf toen de Morea en Dalmatië over, de laatste bezittingen in de Egeïsche Zee, en verzekerde zo een Ottomaanse zeemacht in de oostelijke Middellandse Zee die drie decennia ononderbroken bleef.

Süleyman slaagde er na 1541 niet in zijn ambities in Europa na te jagen, grotendeels vanwege zijn toenemende preoccupatie met problemen in het Oosten. Hij onderdrukte meedogenloos Safavid-propagandisten en aanhangers in Oost-Anatolië en stimuleerde het Oezbeekse rijk van Transoxanië om Iran aan te vallen. Iran raakte in wanorde na de dood van Ismāʿīl en de toetreding van zijn zoontje Ṭahmāsp I, maar Süleyman kon alleen profiteren van die situatie tijdens perioden van vrede in Europa. Hij leidde persoonlijk drie campagnes in het noordwesten van Iran, in 1534-1535, 1548-1550 en 1554, en hoewel hij Safavid-gebieden in de zuidelijke Kaukasus en in Irak veroverde, was hij nooit in staat het Iraanse leger te vangen en te verslaan. Bevoorradingsproblemen dwongen hem steevast om zich tijdens de wintermaanden terug te trekken naar Anatolië, waardoor de Perzen Azerbeidzjan met weinig moeite konden heroveren. Süleyman wanhoopte uiteindelijk aan het verslaan van zijn ongrijpbare vijanden en stemde in 1555 in met de Vrede van Amasya, waarbij hij Irak en Oost-Anatolië behield, maar afstand deed van de Ottomaanse aanspraken op Azerbeidzjan en de Kaukasus en ermee instemde Shi'i-Perzische pelgrims toe te staan ​​Mekka en Medina te bezoeken, evenals hun eigen heilige plaatsen in Irak. Dus dezelfde geografische problemen die de Ottomaanse veroveringen in Midden-Europa hadden beperkt, maakten West-Azerbeidzjan tot de praktische limiet van de Ottomaanse expansie in het Oosten, waardoor de definitieve eliminatie van het Safavid-gevaar werd voorkomen.

Süleyman was iets meer succesvol in het herstellen van de oude internationale handelsroutes via zijn bezittingen in het Midden-Oosten. Om de Portugese vloot, die door de Safavids uit hun havens aan de Perzische Golf werd bevoorraad, tegen te gaan, bouwde hij grote marinebases in Suez (1517) en, zodra hij Irak innam, in Basra (1538), waarbij hij garnizoenen en vloten oprichtte die niet alleen weerstand boden aan de Portugese marine-aanvallen, maar vielen ze ook aan in de oostelijke zeeën. Als gevolg hiervan kreeg de oude handelsroute in de 16e eeuw een deel van zijn vroegere volume terug. De Ottomanen hebben het echter nooit volledig kunnen herstellen, omdat Portugal, via een zeeroute, nog steeds hogere prijzen kon betalen in het oosten en tegen lagere prijzen in Europa kon verkopen, waarbij de invoerrechten en lokale heffingen op goederen die over land werden verzonden, werden vermeden door Ottomaans grondgebied. Opgemerkt moet worden dat, in tegenstelling tot de mythen die door veel Europese historici worden beweerd, het de Ottomanen waren die vochten om de oude handelsroute in het Midden-Oosten open te houden. machtige vloten van de Engelsen en Nederlanders.


Neder-paleolithische jacht-verzamelkampen vormden de eerste bekende nederzettingen op het grondgebied van het huidige Abchazië. De vroegste voorbeelden zijn opgegraven op de locaties van Iashkhtva, Gumista, Kelasuri en Ochamchire. De paleolithische cultuur vestigde zich voornamelijk langs de kustlijn. Mesolithische en neolithische perioden brachten grotere permanente nederzettingen en markeerden het begin van landbouw, veeteelt en de productie van keramiek. De vroegste artefacten van de megalithische cultuur verschenen in het begin van het 3e millennium voor Christus en gingen door in de bronstijd als de zogenaamde hunebedden van Abchazië, meestal bestaande uit vier rechtopstaande massastenen en een sluitsteen, waarvan sommige wel 50 ton wogen. Een hunebed uit de archeologische vindplaats Eshera is het best bestudeerde prehistorische monument van dit type. De late bronstijd zag de ontwikkeling van meer geavanceerde bronzen werktuigen en ging door tot in de ijzertijd als onderdeel van de Colchise cultuur (ca. 1200-600 vGT), die het grootste deel van wat nu West-Georgië is en een deel van Noordoost-Anatolië omvatte.

de geschreven geschiedenis van Abchazië begint grotendeels met de komst van de Milesische Grieken naar de kust van Colchis in de 6e-5e eeuw voor Christus. Ze stichtten hun maritieme kolonies langs de oostelijke oever van de Zwarte Zee, waarbij Dioscurias een van de belangrijkste handelscentra was. Deze stad, naar verluidt zo genoemd naar de Dioscuri, de tweeling Castor en Pollux uit de klassieke mythologie, wordt verondersteld zich vervolgens te hebben ontwikkeld tot het hedendaagse Sukhumi. Andere opmerkelijke kolonies waren Gyenos, Triglitis en later Pityus, waarschijnlijk in de buurt van respectievelijk de hedendaagse kustplaatsen Ochamchire, Gagra en Pitsunda.

De volkeren van de regio waren opmerkelijk vanwege hun aantal en variëteit, zoals klassieke bronnen getuigen. Herodotus, Strabo en Plinius waarderen de veelheid aan talen die in Dioscurias en andere steden worden gesproken. Het bergachtige terrein had de neiging de lokale volkeren van elkaar te scheiden en te isoleren en stimuleerde de ontwikkeling van tientallen afzonderlijke talen en dialecten die de etnische samenstelling van de regio compliceerden. Zelfs de best geïnformeerde hedendaagse auteurs zijn erg in de war bij het benoemen en lokaliseren van deze volkeren en geven slechts zeer beperkte informatie over de geografie en bevolking van het achterland. Bovendien waren sommige klassieke etnische namen vermoedelijk verzameltermen en vonden er vermoedelijk ook aanzienlijke migraties plaats in de regio. Er zijn verschillende pogingen gedaan om deze volkeren te identificeren met de etnische termen die door klassieke auteurs worden gebruikt. De meeste geleerden identificeren Plinius de Oudere Apsilae van de 1e eeuw en Arrian's Abasgoi van de 2e eeuw met de waarschijnlijke proto-Abchaz- en Abaza-sprekers respectievelijk, terwijl Georgische geleerden ze beschouwen als proto-Kartveliaanse stambenamingen. De identiteit en herkomst van andere volkeren (bijv. Henioch, Sanigae) wonen in het gebied wordt betwist. De archeologie is er zelden in geslaagd sterke verbanden te leggen tussen de overblijfselen van de materiële cultuur en de door klassieke schrijvers genoemde ondoorzichtige namen van volkeren. Er blijven dus controverses bestaan ​​en een reeks vragen blijft openstaan.

De inwoners van de regio hielden zich bezig met piraterij, slavenhandel en ontvoeringen voor losgeld. Strabo beschreef de gewoonten van Achaei, Zygi en Heniochi in zijn Geografie als volgt: [1]

Deze mensen leven van piraterij. Hun boten zijn slank, smal, licht en kunnen ongeveer vijf tot twintig man bevatten, en zelden dertig. De Grieken noemen ze camaræ. . Ze rusten vloten uit die uit deze camaræ bestaan, en als meesters van de zee vallen ze soms lastschepen aan, of vallen ze een gebied of zelfs een stad binnen. Soms helpen zelfs degenen die de Bosporus bezetten hen door schuilplaatsen voor hun schepen in te richten en hen te voorzien van proviand en middelen om hun buit op te ruimen. Wanneer ze terugkeren naar hun eigen land, waar ze geen geschikte plaatsen hebben om hun schepen aan te meren, zetten ze hun camaræ op hun schouders en dragen ze naar de bossen, waar ze wonen, en waar ze een arme grond bewerken. Wanneer het seizoen voor de navigatie aanbreekt, brengen ze ze weer naar de kust. Hun gewoonten zijn zelfs in het buitenland hetzelfde, want ze zijn bekend met beboste gebieden, waarin ze, nadat ze hun camaræ hebben verborgen, dag en nacht te voet ronddwalen met het doel de inwoners gevangen te nemen en tot slavernij te brengen.

Volgens The Georgian Chronicles waren de eerste bewoners van wat nu Abchazië en heel West-Georgië is: Egrosiërs, de afstammelingen van Egros, de zoon van Togarma, de kleinzoon van Jafet, de zoon van Noach, die uit het land kwam dat bekend staat als Arian-Kartli. [2]

Samen met de rest van Colchis, werd Abchazië veroverd door Mithridates VI Eupator van Pontus tussen c. 110 en 63 voor Christus, vervolgens ingenomen door de Romeinse commandant Pompeius en opgenomen in het Romeinse Rijk in 61 na Christus. De Romeinse heerschappij hier was zwak en volgens Josephus kon een Romeins garnizoen van 3000 hoplieten en een vloot van 40 schepen alleen de havens controleren. De Griekse nederzettingen leden onder de oorlogen, piraterij en aanvallen van lokale stammen (tijdens een van hen werden Dioskurias en Pityus geplunderd in het jaar 50). [3]

Met de ondergang van het Romeinse Rijk kregen de stammen die in de regio woonden enige onafhankelijkheid en nomineerden ze hun heersers die door Rome zouden worden bevestigd. In de 3e eeuw na Christus domineerde de Lazi-stam het grootste deel van Colchis en vestigde het koninkrijk Lazica, plaatselijk bekend als Egrisi. Volgens Procopius werden de Abasgi-aanvoerders ook onderworpen door de Lazische koningen.

Colchis was het toneel van de langdurige rivaliteit tussen de Oost-Romeinse/Byzantijnse en Sassanidische rijken, culminerend in de Lazische Oorlog van 542 tot 562. De oorlog resulteerde in de ondergang van Lazica, en de Abasgi in hun dichte bossen wonnen een zekere mate van autonomie onder het Byzantijnse gezag. Tijdens dit tijdperk bouwden de Byzantijnen Sebastopolis in de regio. Hun land, bij de Byzantijnen bekend als Abasgia, was een belangrijke bron van eunuchen voor het rijk totdat Justinianus I (527-565) de castratie van jongens verbood. De mensen waren heidens en aanbaden bosjes en bomen totdat een missie van keizer Justinianus I rond 550 de mensen tot het christendom bekeerde en een kerk bouwde. [4] [5] Bisschop Stratophiles van Pytius woonde echter al in 325 het Concilie van Nicea bij. [6] Byzantijnen bouwden verdedigingswerken die tot op de dag van vandaag gedeeltelijk bewaard zijn gebleven als de Kelasuri-muur. [7]

As the Abasgi grew in relative strength, the name Abasgia came to denote a larger area populated by various ethnic groups including Mingrelian- and Svan-speaking South Caucasian tribes, and subordinated to the Byzantine-appointed princes (Greek: archon, Georgian: eristavi) who resided in Anacopia and were viewed as major champions of the empire's political and cultural influence in the western Caucasus. The Arabs penetrated the area in the 730s, but did not subdue it about then the term Abkhazeti ("the land of the Abkhazians") first appeared in the Georgian annals, giving rise to the name Abkhazia, which is used today in most foreign languages. Through their dynastic intermarriages and alliance with other Georgian princes, the Abasgian dynasty acquired most of Lazica/Egrisi, and in the person of Leo established themselves as "kings of the Abkhazians" in the 780s. [8] With the Khazar help, Leo ousted the Byzantines and expanded his kingdom, transferring his capital to the Georgian city of Kutaisi. Although the nature of this kingdom's ruling family is still disputed, most scholars agree that the Abkhazian kings were Georgian in culture and language. In order to eliminate the Byzantine religious influence, the dynasty subordinated the local dioceses to the Georgian Orthodox patriarchate of Mtskheta. [9] [10]

The kingdom is frequently referred in modern history writing as the Egrisi-Abkhazian kingdom due to the fact that medieval authors viewed the new monarchy as a successor state of Egrisi and sometimes used the terms interchangeably.

The most prosperous period of the Abkhazian kingdom was between 850 and 950, when it dominated the whole western Georgia and claimed control even of the easternmost Georgian provinces. The terms "Abkhazia" and "Abkhazians" were used in a broad sense during this period – and for some while later – and covered, for all practical purposes, all the population of the kingdom regardless of their ethnicity. [11] In 989, the Bagratid ruler Bagrat III came to power in Abkhazia which he inherited from his mother Guranduxt Anch'abadze. In 1008 Bagrat inherited K'art'li from his father and united the kingdoms of Abkhazia and Georgia into a single Georgian feudal state. [12]

This state reached the apex of its strength and prestige under the queen Tamar (1184–1213). On one occasion, a contemporary Georgian chronicler mentions a people called Apsars. This source explains the sobriquet 'Lasha' of Tamar's son and successor George IV as meaning "enlightenment" in the language of the Apsars. Some modern linguists link this nickname to the modern Abkhaz words a-lasha for "clear" and a-lashara for "light", identifying the Apsars with the possible ancestors of the modern-day Abkhaz, though the exact identity and location of this tribe is unclear.

According to the Georgian chronicles, Queen Tamar granted the lordship over part of Abkhazia to the Georgian princely family of Shervashidze. According to traditional accounts, they were an offshoot of the Shirvanshahs (hence allegedly comes their dynastic name meaning "sons of Shirvanese" in Georgian). The ascendancy of this dynasty (later known also as Chachba by the Abkhaz form of their surname) in Abkhazia would last until the Russian annexation in the 1860s.

The Genoese established their trading factories along the Abkhazian coastline in the 14th century, but they functioned for a short time. The area was relatively spared from the Mongol and Timur's invasions, which terminated Georgia's "golden age". As a result, the kingdom of Georgia fragmentized into several independent or semi-independent entities by the late 15th century. The Principality of Abkhazia was one of them, and was formed around 1463. [5] The Principality of Abkhazia, whereas it acted as an independent state, was officially a vassal of the Kingdom of Imereti, following a treaty signed in 1490 splitting Georgia into three nations. [13] The Abkhazian princes engaged in incessant conflicts with the Mingrelian potentates, their nominal suzerains, and the borders of both principalities fluctuated in the course of these wars. In the following decades, the Abkhazian nobles finally prevailed and expanded their possessions up to the Inguri River, which is today's southern boundary of the region. Several medieval historians like Vakhushti and a few modern ones claimed that the Kelasuri Wall was built by prince Levan II Dadiani of Mingrelia as a protection against Abkhaz. [14]

In the 1570s, the Ottoman navy occupied the fort of Tskhumi on the Abkhazian coastline, turning it into the Turkish fortress of Suhum-Kale (hence, the modern name of the city of Sukhumi). In 1555, Georgia and the whole South Caucasus became divided between the Ottoman and Safavid Persian empires per the Peace of Amasya, with Abkhazia, along with all of western Georgia, remaining in the hands of the Ottomans. As a result, Abkhazia came under the increasing influence of Turkey and Islam, gradually losing its cultural and religious ties with the rest of Georgia. According to the Soviet historical science, Turkey, after the conquest has aimed at obliterating the material and spiritual culture of Abkhazia and forcibly convert the population to Islam, which led to numerous insurrections (in 1725, 1728, 1733, 1771 and 1806) [15]

Towards the end of the 17th century, the principality of Abkhazia broke up into several fiefdoms, depriving many areas of any centralized authority. The region became a theatre of widespread slave trade and piracy. According to some Georgian scholars (such as Pavle Ingorokva), it was when a number of the Adyghe clansmen migrated from the North Caucasus mountains and blended with the local ethnic elements, significantly changing the region's demographic situation. In the mid-18th century, the Abkhazians revolted against the Ottoman rule and took hold of Suhum-Kale, but soon the Turks regained the control of the fortress and granted it to a loyal prince of the Shervashidze family.

Russia annexed eastern Georgia in 1800 and took over Mingrelia in 1803. Kelesh Ahmed-Bey Shervashidze, the last pre-Russian ruler of Abkhazia had a long and successful reign. He controlled his nobles, his kinsmen commanded Poti and Batum and his fleet cruised the coast from Anapa and Batum. His invasion of the Principality of Mingrelia in 1802 contributed to Mingrelia becoming a Russian protectorate. Keleshbey died in 1808 and was succeeded by his eldest son Aslan-Bey Shervashidze. Kelesh also had a younger son, Sefer Ali-Bey Shervashidze, who lived in Mingrelia, was or became a Christian and was married to the Mingrellian ruler's sister. The Russians or Mingrelians claimed that Aslan-Bey had murdered his father. In August 1808, three months after Kelesh's death, a Mingrelian force failed to take Sukhumi. In February 1810 Russia recognized Sefer-Bey as hereditary prince of Abkhazia. In June of that year a Russian fleet captured Sukhumi and Aslan-Bey fled. Sefer-Bey, who ruled until 1821, was unable to control the countryside, things became disorganized and there were a number of revolts involving Aslan-Bey.

Initially, the Russian control hardly extended beyond Suhum-kale and the Bzyb area, with the rest of the region chiefly dominated by the pro-Turkish Muslim nobility. In a series of conflicts with the Ottoman Empire and the North Caucasian tribes, the Russians acquired possession of the whole Abkhazia in a piecemeal fashion between 1829 and 1842, but their power was not firmly established until 1864, [5] when they managed to abolish the local princely authority. The last prince of Abkhazia, Michael Shervashidze (Chachba), was exiled to Russia where he soon died. [16] The two ensuing Abkhaz revolts in 1866 and 1877, the former precipitated by the heavy taxation and the latter incited by the landing of the Turkish troops, resulted in the next significant change in the region's demographics. As a result of harsh government reaction allegedly 60% of the Muslim Abkhaz population, although contemporary census reports were not very trustworthy — became Muhajirs, and emigrated to the Ottoman possessions between 1866 and 1878. In 1881, the number of the Abkhaz in the Russian Empire was estimated at only 20,000. [17] Furthermore, a great deal of the population was forcibly displaced to Turkey (Muhajirs) and in 1877 the population of Abkhazia was 78,000, whereas at the end of the same year there were only 46,000 left. [15]

Large areas of the region were left uninhabited and many Armenians, Georgians, Russians and others subsequently migrated to Abkhazia, resettling much of the vacated territory. [18] According to Georgian historians Georgian tribes (Mingrelians and Svans) had populated Abkhazia since the time of the Colchis kingdom. [19] According to the census carried out in 1897 Abkhaz constituted 60-65% of the Sukhumi district's population (about 100,000 Sukhum district occupied almost the same territory as present'day Abkhazia in 1897), the majority of the rest being Georgian. [20] [21] [22] However the Encyclopædia Britannica reported in 1911 that in the Sukhumi district (population at the time 43,000 it did not cover all the territory of present-day Abkhazia in 1911 as some of it had been transferred to Kuban governorate) two-thirds of the population were Mingrelian Georgians and one-third were Abkhaz. [23] Those Abkhaz, who did not convert to Christianity, and who remained in Abkhazia were declared by the Russian government a "refugee population" and deprived of the right to settle in the coastal areas. [24] [25]

Meanwhile, in 1870, bound peasants, including slaves, were liberated in Abkhazia as a part of the Russian serfdom reforms. The peasants got between 3 and 8 ha and had to pay huge redemption payments (the landowners got up to 275 ha) furthermore, according to a contemporary Russian official, peasants were mostly left with rocky mountain slopes and low-lying bogs. The liberation in Abkhazia was more problematic than elsewhere as it failed to take into account fully the distinction between free, partly free and unfree peasants in the Abkhazian society. [26]

This reform triggered the moderate development of capitalism in the region. Tobacco, tea and subtropical crops became more widely grown. Industries (coal, timber) began to develop. Health resorts started to be built. A small town of Gagra, acquired by a German prince Peter of Oldenburg, a member of the Russian royal family, turned to a resort of particular tourist interest early in the 1900s (decade).

After the abolition of the autocephalous status of the Georgian Church (1811) begins the process of Russification and the Abkhaz Church. An attempt to transfer service from Georgian into Slavic, there is also a desire to introduce as an antagonist of the Georgian - Abkhazian (Apsua) identity. Against this trend, actively advocated the advanced Abkhazian society, trying to convince Russian officials that Abkhazia historically, in their culture, religion, etc., is an integral part of Georgia. In 1870, in a memo to deputies of the Abkhazian nobility and Samurzakan (Emhvari B., M. Marchand, Margani T., K. Inal-ipa) to the Chairman of the Tiflis Committee of caste landed for Prince Svyatopolk-Mirsky emphasized that " Abkhazia ancient times was part of the former Georgian kingdom . " The note provides evidence to support the common historical destiny of the Georgian and Abkhaz peoples, who are, according to the authors, "important witnesses accessories Abkhazia to Georgia" and expressed the hope that they (Abkhazians) are not are "excluded from the overall family of the Georgian people, to which from time immemorial belonged to." 4 In 1916, the Tbilisi visited the Abkhazian delegation consisting of M-princes Shervashidze M. Emhvari, A. Inal-ipa, and representatives of the peasantry P. Anchabadze, B. Ezugbaya and A. Chukbar. On behalf of the Abkhaz people, they petitioned for economic and cultural development of the region and raised the question of the transformation of the Sukhumi district into a separate province. "If this is impossible", told delegates, then in any case do not connect it (Sukhum district) to any other province, except Kutaisi. Equally urgent was the demand of the deputation is not separated from the exarchate of Georgia Sukhumi bishoprics, which has always been an inseparable part of the Georgian Church. [ citaat nodig ]

In the Russian revolution of 1905, most Abkhaz remained largely loyal to the Russian rule, while Georgians tended to oppose it. As a reward for their allegiance, tsaar Nicholas II officially forgave the Abkhaz for their opposition in the 19th century and removed their status of a "guilty people" in 1907. This split along political divisions led to the rise of mistrust and tensions between the Georgian and Abkhaz communities which would further deepen in the aftermath of the Russian Revolution of 1917.

The Bolshevik coup in October 1917 and the ensuing Russian Civil War forced the major national forces of South Caucasus – Armenia, Azerbaijan, and Georgia – to unite into fragile federative structures. Abkhaz leaders created, on November 8, 1917, their own post-revolutionary body, Abkhaz People's Council (APC), but Abkhazia became embroiled into a chaos of the civil unrest. It was torn between supporters of the short-lived Mountainous Republic of the Northern Caucasus, a pro-Bolshevik faction, a pro-Turkish nobility, and a pro-Georgian Menshevik group.

In March 1918, local Bolsheviks under the leadership of Nestor Lakoba, a close associate of Joseph Stalin, capitalized on agrarian disturbances and, supported by the revolutionary peasant militias, kiaraz, won power in Sukhumi in April 1918. The Transcaucasian Democratic Federative Republic, which claimed the region as its part, sanctioned the suppression of the revolt and, on May 17, the National Guard of Georgia ousted the Bolshevik commune in Sukhumi.

Meanwhile, a short-lived Transcaucasian federation came to an end and the independence of the Democratic Republic of Georgia (DRG) was proclaimed on May 26, 1918. On June 8, a delegation of the APC negotiated, in Tbilisi, the capital of Georgia, a union with Georgia, which gave autonomy to Abkhazia. All domestic affairs were to be under the jurisdiction of the APC, while the central government established the office of Minister of Abkhazian Affairs and the post of the Governor-General of Abkhazia. Abkhaz deputies gained three of 28 seats preserved for ethnic minorities in Georgia's parliament.

The relations between the central and autonomous authorities were soon clouded by the abortive landing, on June 27, 1918, of a Turkish force supported by the Abkhaz nobles, J. Marghan and A. Shervashidze. Georgia responded with the arrest of several Abkhaz leaders and the limitation of the autonomous powers of the APC that precipitated some sympathies from the Abkhaz to the Russian White forces which engaged in the sporadic fighting with the Georgians in the north of Abkhazia. The reaction was even harsher when the Abkhaz officers of the Georgian army, Commissar Marghania and Colonel Chkhotua, staged a failed coup in October 1918. On October 10, the APC was disbanded and Abkhazia's autonomy was abrogated for six months. A new Abkhaz People's Council, elected in February 1919, adopted an act of Abkhazia's autonomy within the framework of the DRG, which was also supported by the Soviet government. [5] The status was confirmed in the Constitution of Georgia adopted on February 21, 1921, on the eve of the Soviet invasion of Georgia.

Despite the 1920 treaty of non-aggression, Soviet Russia’s 11th Red Army invaded Georgia on February 11, 1921, and marched on Tbilisi. Almost simultaneously, 9th (Kuban) Army entered Abkhazia on February 19. Supported by the local pro-Bolshevik guerillas, the Soviet troops took control of most of Abkhazia in a series of battles from February 23 to March 7, and proceeded into the neighbouring region of Mingrelia.

On March 4, Soviet power was established in Sukhumi, with the formation of the Abkhazian Soviet Socialist Republic (Abkhazian SSR), subsequently recognized by the newly established Communist regime of the Georgian SSR on May 21. [5] On December 16, however, Abkhazia signed a special "union treaty" delegating some of its sovereign powers to Soviet Georgia. Abkhazia and Georgia together entered the Transcaucasian SFSR on December 13, 1922 and on 30 December joined the Union of Soviet Socialist Republics. Abkhazia's ambiguous status of Union Republic was written into that republic's April 1, 1925 constitution. Paradoxically, an earlier reference to Abkhazia as an autonomous republic in the 1924 Soviet Constitution [27] remained unratified until 1930 when Abkhazia's status was reduced to an Autonomous Soviet Socialist Republic (ASSR) within the Georgian SSR. [5] Except for a few nobles, the Abkhaz did not participate in the 1924 August Uprising in Georgia, a last desperate attempt to restore the independence of Georgia from the Soviet Union.

During the Stalin years, a purge was carried out against Communist Party officials and intelligentsia of Abkhaz provenance on the orders of Lavrentiy Beria, then-the Party Secretary in Transcaucasus and himself a native of Abkhazia, in order to break a resistance to forced collectivization of land. The Abkhaz party leader Lakoba suddenly died shortly after his visit to Beria in Tbilisi in December 1936. There was a strong suspicion that he was poisoned by Beria who declared Lakoba an "enemy of the people" posthumously. The purges in Abkhazia were accompanied by the suppression of Abkhaz ethnic culture: the Latin-based Abkhaz alphabet was changed into Georgian and all the native language schools were closed, ethnic Georgians were guaranteed key official positions, many place names were changed to Georgian ones. [28] [29] In the terror of 1937-38, the ruling elite was purged of Abkhaz and by 1952 over 80% of the 228 top party and government officials and enterprise managers were ethnic Georgians there remained 34 Abkhaz, 7 Russians and 3 Armenians in these positions. [30] Between 1937 and 1953 tens of thousands of peasants from Western Georgia were settled in Abkhazia. In the 1926 Soviet census, the Abkhaz accounted for 26.4% of the region's population. The demographic engineering of the late Stalin period brought this proportion down to 17—18%. Abkhazia is mountainous and has a shortage of arable land, which made it difficult to send in new settlers. This was one of the reasons why in 1949 the Greek and Turkish minorities were deported from Abkhazia to Kazakhstan and other Central Asian republics, and Georgians were settled in the formerly Greek and Turkish villages. [30] [ unreliable source? ] Abkhazia experienced collectivisation in 1936–1938, much later than most of USSR. [31]

Stalin's five-year plans also resulted in the resettlement of many Russians, Armenians and Georgians into the existing Abkhaz, Georgian, Greek and other minority population to work in the growing agricultural sector. The 2,700-year-old Greek population of Abkhazia was completely deported by Stalin in a single night in 1949 to Central Asia with Georgian immigrants taking over their homes. In 1959 the surviving Greeks were allowed to return. During the 1992-93 war, some 15,000 Greeks fled the turmoil in the region to Greece.

The repression of the Abkhaz and other groups ended after Stalin's death and Beria's execution (1953), [32] and Abkhaz were given a greater role in the governance of the republic. As in most of the smaller autonomous republics, the Soviet government encouraged the development of culture and particularly of literature. A new script, based on Cyrillic, was devised for Abkhaz, Abkhaz schools reopened and administration put largely in the Abkhaz hands. Ethnic quotas were established for certain bureaucratic posts, giving the Abkhaz a degree of political power that was disproportionate to their minority status in the republic. This was interpreted by some [ WHO? ] as a "divide and rule" policy whereby local elites were given a share in power in exchange for support for the Soviet regime. [ citaat nodig ] In Abkhazia as elsewhere, it led to other ethnic groups — in this case, the Georgians — resenting what they saw as unfair discrimination and disregard of the rights of majority, thereby stoking ethnic discord in the republic.

The following three decades were marked by attempts of the Abkhaz Communist elite to make the autonomous structures more Abkhaz, but their efforts constantly met resistance from the Georgians. Abkhaz nationalists attempted on several occasions, most notably in 1978, to convince Moscow to transfer the autonomous republic from Georgian SSR to the Russian SFSR. That year, the Abkhaz organised a series of indoor and outdoor rallies (including an all-ethnic meeting of Abkhaz in Lykhny) in response to the mass demonstrations of Georgians who had succeeded in winning for their language a constitutional status of the official language of the Georgian SSR. Although the Abkhaz request of the secession from Georgia was rejected Moscow and Tbilisi responded with serious economic and cultural concessions, appropriating an extra 500 million rubles (or more [31] ) over seven years for the development of infrastructure and cultural projects such as the foundation of the Abkhazian State University (with Abkhaz, Georgian, and Russian sectors), a State Folk Ensemble in Sukhumi, and Abkhaz-language television broadcasting. [28] Substantial quotas were also given to ethnic Abkhaz in educational and official positions. [31] For example, by 1990 most of government ministers and regional Communist party department heads were ethnic Abkhaz. [33] Even though these concessions eased tensions only partially they made Abkhazia prosperous even by the standards of Georgia which was one of the wealthiest Soviet republic of that time. [31] [34] The favourable geographic and climatic conditions were successfully exploited to make Abkhazia a destination for hundreds of thousands of tourists, gaining for the region a reputation of "Soviet Riviera."

The Soviet authorities invested significantly into building a modern educational system in Abkhazia. In the 1920s and 1930s the Soviet government founded many new schools and several educational and training colleges (called “Uschiliche” in Russian language). The number of locally trained professionals grew from few dozens in the 1920s to several thousands in the 1980s.

By the 1980s, Sukhumi City became a home for largest educational institutions (both higher education institutions and Technical Vocational Education and Training (TVET) colleges) and largest students' community in Abkhazia.

There was some decline in a number of students in the 1990s. However, between 2000 and 2019 the student's population stabilised. Since the academic year 2020-2021 the number of college and university students even showed a small increase.

Abkhaz State University (1979) has 42 departments organized into 8 faculties providing education to about 3300 students (as of 2019, est.).

According to the official statistical data, Abkhazia has 13 TVET colleges (as of 2019, est.) providing education and vocational training to youth mostly in the capital city, though there are several colleges in all major district centers. Independent international assessments suggest that these colleges train in about 20 different specialties attracting between 1000 and 1300 young people (aged between 16 and 29) (as of 2019, est.). The largest colleges are as follows:

Abkhaz Multiindustrial College (1959) (from 1959 to 1999 - Sukhumi Trade and Culinary School),

Sukhumi State College (1904) (from 1904 to 1921 - Sukhumi Real School from 1921 to 1999 - Sukhumi Industrial Technical School),

Sukhum Medical College (1931)

As the Soviet Union began to disintegrate at the end of the 1980s, ethnic tension grew between the Abkhaz and Georgians over Georgia's moves towards independence. Many Abkhaz opposed this, fearing that an independent Georgia would lead to the elimination of their autonomy, and argued instead for the establishment of Abkhazia as a separate Soviet republic in its own right. The dispute turned violent on 16 July 1989 in Sukhumi. At least eighteen people were killed and another 137, mostly Georgians, injured when the Soviet Georgian government gave in to Georgian popular demand to transform a Georgian sector of Sukhumi State University into a branch of Tbilisi State University and the Abkhaz nationalists, including armed groups, [35] demonstrated at the building where the entrance examinations were being held. [36] [37] After several days of violence, Soviet troops restored order in the city and blamed rival nationalist paramilitaries for provoking confrontations.

Georgia boycotted the March 17, 1991 all-Union referendum on the renewal of the Soviet Union proposed by Mikhail Gorbachev. However, the referendum was held in Abkhazia and 52.3% of the population of Abkhazia (virtually all the non-Georgians) took part, and participants voted by an overwhelming majority (98.6%) in favour of preserving the Union. [38] [39] Most of the non-Georgian population subsequently declined to participate in the March 31 referendum on Georgia's independence, which was supported by a huge majority of the population of Georgia. Shortly after it Georgia declared independence on 9 April 1991, under the rule of nationalist [40] and former Soviet dissident Zviad Gamsakhurdia.

Gamsakhurdia's rule became unpopular, and that December, the Georgian National Guard, under the command of Tengiz Kitovani, laid siege to the offices of Gamsakhurdia's government in Tbilisi. After weeks of stalemate, he was forced to resign in January 1992. Gamsakhurdia was replaced as president by Eduard Shevardnadze, the former Soviet foreign minister and architect of the disintegration of the Soviet Union.

On 21 February 1992, Georgia's ruling Military Council announced that it was abolishing the Soviet-era constitution and restoring the 1921 Constitution of the Democratic Republic of Georgia. Many Abkhaz interpreted this as an abolition of their autonomous status. In response, on 23 July 1992, the Abkhazia government effectively declared secession from Georgia, although this gesture went unrecognized by any other country. The Georgian government accused Gamsakhurdia supporters of kidnapping Georgia's interior minister and holding him captive in Abkhazia. The Georgian government dispatched 3,000 troops to the region, ostensibly to restore order. Heavy fighting between Georgian forces and Abkhazian militia broke out in and around Sukhumi. The Abkhazian authorities rejected the government's claims, claiming that it was merely a pretext for an invasion. After about a week's fighting and many casualties on both sides, Georgian government forces managed to take control of most of Abkhazia, and closed down the regional parliament.

The Abkhazians' military defeat was met with a hostile response by the self-styled Confederation of Mountain Peoples of the Caucasus, an umbrella group uniting a number of pro-Russian movements in the North Caucasus, Russia (Chechens, Cossacks, Ossetians and others). Hundreds of volunteer paramilitaries from Russia (including the then little known Shamil Basayev) joined forces with the Abkhazian separatists to fight the Georgian government forces. Regular Russian forces also reportedly sided with the secessionists. In September, the Abkhaz and Russian paramilitaries mounted a major offensive after breaking a cease-fire, which drove the Georgian forces out of large swathes of the republic. Shevardnadze's government accused Russia of giving covert military support to the rebels with the aim of "detaching from Georgia its native territory and the Georgia-Russian frontier land". The year 1992 ended with the rebels in control of much of Abkhazia northwest of Sukhumi.

The conflict remained stalemated until July 1993, following an agreement in Sochi, when the Abkhaz separatist militias launched an abortive attack on Georgian-held Sukhumi. The capital was surrounded and heavily shelled, with Shevardnadze himself trapped in the city.

Although a truce was declared at the end of July, this collapsed after a renewed Abkhaz attack in mid-September. After ten days of heavy fighting, Sukhumi fell on 27 September 1993. Eduard Shevardnadze narrowly escaped death, having vowed to stay in the city no matter what, but he was eventually forced to flee when separatist snipers fired on the hotel where he was residing. Abkhaz, North Caucasians militants and their allies committed one of the most horrific massacres [41] of this war against remaining Georgian civilians in the city known as Sukhumi Massacre. The mass killings and destruction continued for two weeks, leaving thousands dead and missing.

The separatist forces quickly overran the rest of Abkhazia as the Georgian government faced a second threat: an uprising by the supporters of the deposed Zviad Gamsakhurdia in the region of Mingrelia (Samegrelo). In the chaotic aftermath of defeat almost all ethnic Georgian population fled the region by sea or over the mountains escaping a large-scale ethnic cleansing initiated by the victors. Many thousands died — it is estimated that between 10,000 and 30,000 ethnic Georgians and 3,000 ethnic Abkhaz may have perished — and some 250,000 people were forced into exile.

During the war, gross human rights violations were reported on the both sides (see Human Rights Watch report), [42] and the ethnic cleansing committed by the Abkhaz forces and their allies is recognised by the Organization for Security and Cooperation in Europe (OSCE) Summits in Budapest (1994), [43] Lisbon (1996) [44] and Istanbul (1999) [45]

The economic situation in the republic after war was very hard and it was aggravated by the sanctions imposed in 1994 by the Commonwealth of Independent States. During the 1990s numerous people of all ethnicities left Abkhazia mainly for Russia. Since 1997 Russia effectively dropped these sanctions which tremendously helped republic's economy. In 1999, Abkhazia officially declared its independence, [5] which was recognized by almost no other nations.

The return of Georgians to Gali district of Abkhazia was halted by the fighting which broke out there in 1998. However, from 40,000 to 60,000 refugees have returned to Gali district since 1998, including persons commuting daily across the ceasefire line and those migrating seasonally in accordance with agricultural cycles.

After several peaceful years tourists again began to visit Abkhazia, however their number is only about a half of the pre-war number.

In 2004 presidential elections were held which caused much controversy when the candidate backed by outgoing president Vladislav Ardzinba and by Russia - Raul Khadjimba - was apparently defeated by Sergey Bagapsh. The tense situation in the republic led to the cancellation of the election results by the Supreme Court. After that the deal was struck between former rivals to run jointly — Bagapsh as a presidential candidate and Khajimba as a vice presidential candidate. They received more than 90% of the votes in the new election.

After the 1992-1993 War the Upper Kodori Valley was the only part of the country that was not controlled by the Abkhazian government. It remained under the formal control of Georgian authorities however it was mainly run by a local strongman Emzar Kvitsiani. As a result of the 2006 Kodori crisis Georgia reasserted its power in the valley. [5] Abkhazians claimed that the infiltration of the territory by Georgian armed units was a violation of the Agreement on the Ceasefire and Disengagement of Forces of May 14, 1994, however Georgia maintained that only police and security forces were employed there. Abkhaz forces occupied Kodori Valley in August 2008 as a result of an operation that coincided with the 2008 South Ossetia War.

August 2008 saw another crisis start as South Ossetia in Georgia started hostilities aimed towards secession. This violence spread somewhat into the Abkhazia region again, with added stress created by the Russian forces massing. [5] Georgia and Russia signed a cease-fire soon after requiring Russia to withdraw. [5]

Meanwhile, the efforts of Russia to isolate Georgian population in Abkhazia from the rest of Georgia continued. On 24 October 2008 the railroad bridge of Shamgon-Tagiloni, connecting the city of Zugdidi in Georgia with the Abkhazian Gali district (populated mainly by Georgians) [46] was destroyed. According to Georgian and French sources it was done by Russian army Abkhazian sources maintained it was a Georgian diversion. [47] [48] Per Georgian sources on 29 October 2008 Russian forces dismantled another bridge - the one situated between the villages of Orsantia (ru) and Otobaia and linking a total of five villages - Otobaia, Pichori (ru), Barghebi, Nabakevi (ru) and Gagida (ru) thus the local population was deprived of the opportunity to move freely in the region. [49] [50]


The Treaty of New Echota and the Trail of Tears

On December 29, 1835, U.S. government officials and about 500 Cherokee Indians claiming to represent their 16,000-member tribe, met at New Echota, Georgia, and signed a treaty. The agreement led to the forced removal of Cherokees from their southeastern homelands to Indian Territory west of the Mississippi River.

The Treaty of New Echota gave the Cherokees $5 million and land in present-day Oklahoma in exchange for their 7 million acres of ancestral land. Though the majority of Cherokees opposed the treaty, and Principal Chief John Ross wrote a letter to Congress protesting it, the U.S. Senate ratified the document in March 1836.

Aware of the lack of support for the treaty among the Cherokee, President Martin Van Buren proposed a two-year extension to allow the Cherokees time to move. Still, by May 1838, only 2,000 Cherokees had moved voluntarily.

That spring, the federal government sent 7,000 soldiers under General Winfield Scott to evict the remaining Cherokees. They built six forts in North Carolina to hold the captured Indians until their forced westward journey could begin.

The 1,200-mile trek, begun in October 1838, lasted six months. Along the way, an estimated 10 to 25 percent of the tribe died of disease, starvation and exhaustion. Today, their route is known as the Trail of Tears.

    from the N.C. Museum of Histroy
  • The Cherokee Indians on NCpedia
  • Resources on Native American Heritage from the State Library of North Carolina

For more about North Carolina’s history, arts and culture, visit Cultural Resources online. To receive these updates automatically each day, make sure you subscribe by email using the box on the right, and follow us on Facebook, Twitter and Pinterest.


Jun 7, 1494 CE: Treaty of Tordesillas

On June 7, 1494, the governments of Spain and Portugal agreed to the Treaty of Tordesillas, which divided their spheres of influence in the "New World" of the Americas.

Geography, Social Studies, World History

Treaty of Tordesillas

The 1494 Treaty of Tordesillas neatly divided the "New World" into land, resources, and people claimed by Spain and Portugal. The red vertical line cutting through eastern Brazil represents the divide. The treaty worked out well for the Spanish and Portuguese empires, but less so for the 50 million people already living in established communities in the Americas.

Map by Antonio de Herrera y Tordesillas, courtesy the Library of Congress

On June 7, 1494, the governments of Spain and Portugal agreed to the Treaty of Tordesillas, named for the city in Spain in which it was created. The Treaty of Tordesillas neatly divided the &ldquoNew World&rdquo of the Americas between the two superpowers.

Spain and Portugal divided the New World by drawing a north-to-south line of demarcation in the Atlantic Ocean, about 100 leagues (555 kilometers or 345 miles) west of the Cape Verde Islands, off the coast of northwestern Africa and then controlled by Portugal. All lands east of that line (about 46 degrees, 37 minutes west) were claimed by Portugal. All lands west of that line were claimed by Spain.

Spain and Portugal adhered to the treaty without major conflict between the two, although the line of demarcation was moved an additional 270 leagues (about 1500 kilometers or 932 miles) farther west in 1506, which enabled Portugal to claim the eastern coast of what is now Brazil.

The results of this treaty are still evident throughout the Americas today. For example, all Latin American nations are predominantly Spanish-speaking countries with the sole exception of Brazil where Portuguese is the national language. This is because the eastern tip of Brazil falls east of the line of demarcation settled upon in the Treaty of Tordesillas, and was where the majority of Portuguese colonization occurred. The borders of modern Brazil have expanded since the 1506 expansion of the Treaty of Tordesillas.

Spain and Portugal were the only signatories of the treaty because at the time, they were the only European powers to establish a presence in the Americas. The treaty did not consider any future claims made by the British, French, and other European superpowers of their respective times. The British, French, and Dutch Empires did not claim parts of the Americas until years after the Treaty of Tordesillas.

More significantly, however, the Treaty of Tordesillas completely ignored the millions of people already living in established communities in the Americas. The treaty stipulated that any lands with a &ldquoChristian king&rdquo would not be colonized. Of course, by that time, Christianity had not spread broadly in the Americas. This meant that unless the land was already claimed by a Christian (European) ruler, by the terms of their treaty, Spain and Portugal could claim practically any land they managed to conquer in the Americas. The resulting conquest and colonization proved disastrous for civilizations, such as the Inca, Taino, and Aztec, along with thousands of other communities throughout the Americas.


Bekijk de video: Şehzade Mustafa Türbesi (Mei 2022).